Gastbijdrage: De val van Rome
De westerse wereld wordt sinds enkele maanden geteisterd door hoge prijsinflatie. Overheden en centrale banken wijzen daarvoor alle verantwoordelijkheid af. Tegelijkertijd roepen linkse politici op om prijscontroles in te voeren en de vrije markt nog meer aan banden te leggen. Om onze situatie te begrijpen en te leren uit de fouten van het verleden duiken we best eens de geschiedenis in.
(Artikel van Thomas Panis, arts-specialist en auteur van anti-woke kinderboek “Fet doet een Belofte”, zoals oorspronkelijk op 20 november 2022 gepubliceerd op PALNWS.be.)
Aan de hand van het boekje ‘Forty centuries of wage and price controls – How not to fight inflation’ (‘Veertig eeuwen inkomens- en prijscontroles – hoe inflatie niet bestrijden’) van Schuettinger en Butler (1978) kunnen we rampzalige overheidsinterventies door de eeuwen heen bestuderen. Laten we beginnen met de oudheid.
Het oude Egypte
Het oude Egypte was een van de eerste grote menselijke beschavingen. Zoals in alle pre-industriële samenlevingen was de controle over voedsel van primair belang. De staat (de hofhouding van de farao’s) mengde zich meer en meer in de economie. In de derde eeuw voor Christus was de bureaucratische controle op de voedselproductie dusdanig extreem dat volgens archeologische studies een heel leger inspecteurs nodig was om het geheel draaiende te houden.
Veel landbouwers vluchtten weg om betere levensomstandigheden te vinden. Er werd soms geweld gebruikt om de overgeblevenen arbeiders te dwingen om de noodzakelijke voedselproductie te garanderen. De overheid legde ook een plafond op de lonen: ook bij gestegen vraag naar hun diensten mochten handwerkers geen loonsverhoging vragen.
De economie begon ernstig te sputteren tegen het einde van de derde eeuw voor Christus. Heersers sloegen munten die minder goud of zilver bevatten om meer te kunnen uitgeven. Hierdoor verloor het geld zijn waarde. Het rijk was in permanente politieke crisis en de handel viel terug. Uiteindelijk werd het eens machtige Egypte ingelijfd in het Romeinse keizerrijk als een provincie.
Prijscontroles voor prostitutie in Indië
De Indische politicus en filosoof Vishnugupta (vierde eeuw v.C.) schreef een handboek voor heersers (de ‘Arthasastra’) voor zijn vorst Chandragupta. Hierin pleit hij voor loonplafonds voor beroepen gaande van muzikanten tot handarbeiders, allemaal in naam van een ‘eerlijk loon’. Om dit allemaal te controleren moest natuurlijk een heel leger ambtenaren worden ingehuurd om de economie te superviseren.
Ook prostituees moesten hun prijzen mee laten bepalen door de overheid. Volgens de tekst moesten de ambtenaren “uitgaven en toekomstige inkomsten van elke prostituee bepalen”. Bij de selectie van een prostituee moest “schoonheid en prestaties de enige overweging zijn”. Hoe dit in de praktijk heeft gewerkt, is verloren gegaan in de nevelen van de tijd, maar ongetwijfeld was de post van ‘prostitutiecontroleur’ een gegeerde job.
Romeinse inflatie
De Romeinse republiek was gekend voor haar gecentraliseerd bureaucratisch staatsapparaat, net als haar opvolger: het keizerrijk. In de vierde eeuw v.C. begonnen politici graan uit te delen in tijden van economische crisis. Dit systeem werd natuurlijk steeds populairder en uitgebreider (zoals de meeste sociale herverdelingsmechanismen doorheen de geschiedenis). In 58 v.C. werd besloten dat alle burgers gratis graan moesten krijgen. Veel boeren trokken dan ook naar de stad, waar ze niet moesten werken en toch eten kregen, hetgeen de productie van graan natuurlijk niet ten goede kwam.
Slaven werden soms door hun meesters vrijgelaten, zodat ze daarna als nieuwe vrije burgers op kosten van de staat konden leven. Julius Caesar ontdekte in 45 v.C. dat een derde van de Romeinse burgers afhankelijk was van de overheid voor hun levensonderhoud. Het probleem van de gegarandeerde voedseluitdelingen of vaste graanprijzen bleef tot in het late keizerrijk de economie parten spelen.
Om hun economische problemen tegen te gaan, begonnen de keizers de munten te ontwaarden. Nero verminderde het edelmetaal in de munten en Marcus Aurelius verminderde hun totale gewicht om nog meer uit te sparen. Op die manier probeerden de heersers meer geld uit te geven dan eigenlijk voorhanden was.
De zilveren ‘denarius’ van de late republiek bijvoorbeeld werd uiteindelijk een kleine kopermunt met een tinnen omhulling, zonder edelmetalen, maar met nog steeds de naam ‘denarius’. En zoals steeds wanneer overheden geld ‘drukken’ uit het niets, ontstond er prijsinflatie: de prijs van een eenheid graan ging in de Egyptische provincie bijvoorbeeld van 9.000 drachme in 314 n.C. naar meer dan 2.000.000 drachme vanaf 344 n.C. De handel, de levenskracht van de samenleving, viel stil en mensen begonnen terug met ruileconomie.
Het edict van Diocletianus
De meest beruchte poging van de Romeinse staat om de economie reguleren werd georganiseerd door keizer Diocletianus (regeerperiode 284 – 305 n.C.). De prijsinflaties die zijn rijk teisterden stak hij op het “winstbejag” van handelaars en speculanten. Om dit tegen te gaan, greep hij naar prijscontroles in het beroemde edict van Diocletianus uit 301 n.C. . In dit edict worden alle producten uit de economie opgelijst met hun maximumprijs, van olijfolie tot het loon van een leerkracht, van schoenen tot zijde. Op verkopen aan een hogere prijs stond de doodstraf.
Het resultaat was niet zoals gewenst. De christelijke filosoof Lactantius beschrijft dat “… mensen hun waren niet meer naar de markt brachten omdat ze er geen redelijke prijs voor konden krijgen …”. Vechtpartijen ontstonden wanneer ‘koopjesjagers’ vonden dat de winkeliers te veel vroegen voor hun producten. Zelfs onder dreiging van executie omzeilden vele handelaars het edict omdat er anders geen economische activiteit mogelijk was. Na een jaar werd het grotendeels genegeerd en vier jaar na het edict deed Diocletianus troonsafstand. Zijn opvolgers probeerden met steeds wanhopigere middelen de economie te reguleren. Zo werd het boeren en arbeiders bijvoorbeeld verboden om elders hogere lonen te zoeken. Je beroep verlaten voor een betere positie werd beschreven als “desertie”. Historicus Jean-Philippe Levy beschrijft dat in het late keizerrijk zowel arme als rijke Romeinen hoopten om verlost te worden van de staatsinterventies, zelfs als hiervoor nieuwe ‘barbaarse’ heersers nodig waren. Weldra viel het rijk door de invallen van dynamische bevolkingsgroepen uit het noorden en oosten.
De val van Rome: schuld van de ‘sossen’?

