Artikel: Het Belgo-Leninisme
Raoul Hedebouw etaleert zich als de perfecte rode Belg. Nochtans waren onze communisten lang niet altijd zo unitair.
(Dit artikel van Libera!-voorzitter Boudewijn Bouckaert werd oorspronkelijk op 9 december 2021 gepubliceerd op de website Doorbraak.be.)
Hear, hear, Raoul Hedebouw is verkozen tot PTB/PvdA-voorzitter. 5,9% van de leden stemden niet voor hem. Daar zit de verrassing. Opvallend is hij wel door zijn antikapitalistisch gebries smakelijk te mengen met grappen en grollen, zowel in het Frans als in het ‘Vloms’. Door de jaren is hij zowat uitgegroeid tot de Lange Jojo van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Met zijn tweetaligheid wil hij zich etaleren als de perfecte rode Belg. Zijn ouders, afkomstig uit Ruddervoorde, migreerden naar Luik en integreerden zich in de militante arbeiderscultuur van de vurige stede. Dit persoonlijk Belgicain profiel wil hij laten afstralen op zijn partij. Die huldigt op het vlak van de staatshervorming een extreem unitaristisch standpunt.
Radicaal-links was niet Belgicistisch
Nochtans is dit unitarisme van extreemlinks geen historische constante. In het Vlaams Tijdschrift van de Communistische partij van België werd reeds in 1949 een lans gebroken voor een federaal België. Daar was, in een tijd waarin elk pleidooi voor Vlaamse autonomie met de collaboratie werd geassocieerd, veel intellectuele moed voor nodig.
Na de mislukte staking van 1961 tegen de Eenheidswet, die in Vlaanderen slechts met mondjesmaat werd opgevolgd, opteerde de Waalse radicaal-linkse leider André Renard voor zoveel mogelijk Waalse autonomie om van de Vlaamse rechtse molensteen af te geraken. En om van Wallonië, via massale collectivisering, een soort DDR aan de Maas te maken. Deze regionalistische reflex blijft sluimeren in de democratische Waalse linkerzijde.
In 1968, bij de agitatie rond de splitsing van de Leuvense universiteit, liepen de linkse studenten achter de slogan ‘Vlaamse en Waalse arbeiders tegen het Belgisch grootkapitaal.’ België, dat was de Société Générale met zijn vazallen van de Pest voor Vlaanderen (PVV) geleid door Omer Vanaudenhove. Flamingantisme en wallingantisme waren toen progressief. Belgicisme conservatief, zelfs reactionair.
Graaiers en begraaiden
De PTB/PvdA weet echter zeer goed wat ze doet. Achter lolbroek Hedebouw staat een groep van bloedserieuze en doorwinterde marxisten. Die zetten zowel op inhoudelijk vlak als op strategisch vlak een strakke lijn uit.
Het unitarisme past wonderwel in het demagogische discours van Hedebouw. Hij verdeelt de wereld daarbij in ‘graaiers’ en ‘begraaiden’. Bij de ‘graaiers’ zitten zowel de ondernemers, die fabelachtige winsten opstrijken, als politici die zich torenhoge wedden toekennen en zitpenningen toe-eigenen in het netwerk van semipublieke ondernemingen en diensten. De ‘begraaiden’ zijn zowaar alle ‘gewone mensen’, de ‘werkmensen’. PTB/PvdA meet zich daarmee een stempotentieel van ongeveer 95% toe.
Hedebouw plaatst zich handig bij de ‘begraaiden’ door slechts een wedde van 2000 euro op te strijken en de rest aan het partijapparaat af te staan. Mocht hij consequent zijn, hij stort het saldo terug aan ‘de gewone mensen’. Maar dit geheel terzijde. Het ‘graaiers’-discours laat Hedebouw toe de Vlaamse, Waalse, Brusselse, en ‘Oost-kantonese’ instellingen voor te stellen als compleet overbodig en dus parasitair.
Deze instellingen zijn ontworpen om nog meer poen te pakken van de ‘gewone mensen’. Dus weg ermee. Eén land, één staat, één leiderschap. Als decentrale instellingen dan toch geldverspilling zijn, waarom trouwens stoppen bij de deelstatelijke instellingen? Waarom ook de provinciale en gemeentelijke besturen niet opdoeken? Dan worden Zelzate en Borgerhout een administratief departement van de Belgische ‘nation, une et indivisible’!
Internationaal-socialisme
Achter deze demagogische versie van het PTB/PvdA-unitarisme schuilt echter een dieper ideologisch verhaal. ‘De arbeiders hebben geen vaderland. Men kan hen niet ontnemen wat zij niet hebben.’ Zo staat het in het Communistisch Manifest. Marx was ervan overtuigd dat de arbeiders in elk land de macht zouden overnemen en zich tot de enige ‘nationale klasse’ zouden verheffen. Omdat het kapitalisme reeds een hoge mate van internationale integratie had bereikt (wij zouden zeggen globalisering) zouden de nationale arbeidersklassen zich verenigen en zich internationaal aaneensluiten in een unie van radenrepublieken. In het Russisch: een Sovjet-Unie.
Het Austromarxisme
De eerste wereldoorlog sloeg deze internationalistische illusie aan stukken. Arbeiderspartijen stemden oorlogskredieten, arbeiders trokken zingend ten strijde voor hun land en beschoten elkaar gedurende vier jaar vanuit de loopgraven. Arbeiders bleken wel degelijk een vaderland te hebben. Wie daarover meer uitvoerig wil lezen, kan ik overigens Elchardus’ Reset aanraden.
Reeds voor de eerste wereldoorlog hadden een aantal marxisten gewezen op het belang van natie en nationaal gevoel. Zij wierpen de vraag op hoe de arbeidersbeweging daarmee moest omgaan. De meest diepgaande analyse werd gebracht door Otto Bauer, de hoofdvertegenwoordiger van het zogenaamde Austromarxisme. In zijn Sociaaldemocratie en de nationaliteitenkwestie (1907) erkende hij het belang van een nationaal gevoel en karakter als een diepgaande en collectieve psychologische realiteit van gedeelde ervaringen en cultuur die van generatie op generatie worden doorgegeven.
Nationaliteitenkwestie
Die realiteit leeft evenzeer bij de arbeidersklasse. Omdat de nationaliteitenkwestie de klassenstrijd niet in de weg zou staan, bepleitte Otto Bauer een erkenning van nationale entiteiten in het Oostenrijks-Hongaarse rijk. Zonder dat daaraan per se een territorium moest verbonden worden. Het toebehoren tot een nationaliteit leverde het recht op van onderwijs en cultuurbeleving in eigen taal en traditie. Belangrijk was dat geen enkele nationaliteit daarin hetzij dominant, hetzij gediscrimineerd zou zijn.
Na discussies met Bauer gaf Lenin in 1913 aan Stalin de opdracht een manifest te schrijven waarin de stellingen van Bauer als bourgeois-ideologie zouden worden gebrandmerkt. Lenin vreesde immers dat het Austromarxisme de talloze volkeren in het tsarenrijk zou inspireren om autonomie te eisen. En dat hij daardoor zijn Jakobijns unitarisme niet zou kunnen doorzetten. Stalins’ boek Het marxisme en de nationale kwestie werd later de leidraad voor het de facto-unitarisme in de Sovjet-Unie. De communistische partij zou daarbij elke nationalistische reflex van de talrijke volkeren met harde hand onderdrukken. De Goelag-archipel werd onder meer bevolkt met talrijke communisten, die het communisme wilden verzoenen met nationale eigenheid.
Lenin in België
De PTB/PvdA kiest met haar unitarisme duidelijk niet de kant van Bauer, maar eerder die van Lenin en Stalin. Op korte termijn kan er met demagogisch gebeuk tegen de ‘verspillende’ deelstatelijke instellingen gemakkelijke verkiezingswinst geboekt worden. Op langere termijn biedt een Jakobijnse Belgische eenheidsstaat een beter kader om een collectivistische planeconomie in te voeren. Een Belgisch-unitair kader biedt de mogelijkheid om vanuit een stevig Waals radicaal-links blok en met de hulp van een aantal Vlaamse ‘Quislings’ aan Vlaanderen een regime op te dringen dat de meerderheid van de Vlamingen absoluut niet wil. Dat is al eens gelukt met het migrantenstemrecht. Waarom het ook niet proberen voor veel belangrijker zaken?

