Artikel: Gepatenteerde dwaasheid
Hoe Gwendolyn Rutten haar liberale leegte heeft uitvergroot.
(Dit artikel van Libera!-voorzitter Boudewijn Bouckaert werd oorspronkelijk op 3 februari 2021 gepubliceerd op de website Doorbraak.be.)
Storm in de blauwe mini-cup. Een tweet van Gwendolyn Rutten deed de laatste liberalen in de Open VLD van hun stoel vallen. Weg met de patenten op vaccins! Geen monopolies! Een open geest! Een schot in de roos dacht de burgemeester van Aarschot. En inderdaad, linkse en extreemlinkse coryfeeën zoals Katleen Van Brempt, Raoul Hedebouw en Tom Demeester verwelkomden de tweet: je bent nu een van ons. Maar Thibault Viaene, de liberale LVV- luis in de VLD-pels, stuurde Rutten naar het blauwe archief. De bladzijde van Rutten, het leeghoofd vol ‘goesting’, was gelukkig omgedraaid. Tot zover de storm in het kleine blauwe waterglas.
Monopolies over vaccins?
Interessanter is de vraag of Rutten, en met haar de hele linkse resem, een punt heeft. Zijn patenten een vorm van monopolie, zijn intellectuele rechten compatibel met een vrije markt?
De vraag of een verkoper een (schadelijke) monopolie positie inneemt kan alleen maar beantwoord worden als je het verband legt met de relevante markt waarop je die verkoper situeert. Als je die relevante markt zeer nauw opvat, komt je al snel tot monopolie posities. Vat je die zeer ruim op, dan verwateren die monopolie posities tot oligopolies of zelfs tot werkbare competitie. Stel, mijn tante stelt een uniek exemplaar van een Art-Deco-kast te koop. Vernauw je de relevante markt tot die van dit unieke exemplaar, dan is mijn tante een monopoliste, verwijd je de relevante markt tot die van alle Art-Deco-kasten of van alle kasten tout court, dan zit mijn tante in een uiterst competitieve marktomgeving. Idem dito voor de markt in corona-vaccins. Als men Astra-Zenica situeert op de markt van het door haar gepatenteerde vaccin, dan is Astra-Zenica een monopolist. Situeert men Astra-Zenica op de markt van corona-vaccins als dusdanig, dan is Astra-Zenica ten hoogste een oligopolist, want zij moet concurreren met Pfizer-, Moderna-, Johnson&Johnson-, Spoetnik- en binnenkort wellicht nog veel andere vaccins. Omdat de patent-wetgeving in de westerse landen in principe elke ontwikkelaar van een vaccin toelaat zijn uitvinding te patenteren, is de vaccinmarkt relatief open voor nieuwe mededingers. Het monopolieverhaal van Rutten en linkse company klopt dus niet. Coronavaccins zijn onderling substitutieproducten. De relevante markt is dus die van coronavaccins als dusdanig en dus is er geen sprake van monopolies.
Waarom eigendom op ideeën?
Een andere, legitieme vraag is evenwel of we wel nood hebben aan intellectuele eigendomsrechten. Voor eigendomsrechten op lichamelijke goederen hebben we, benevens andere, een zwaarwichtige reden. Eigendomsrechten zorgen voor pacificatie in de samenleving en beletten dat personen en groepen verspillende conflicten uitvechten over de controle van schaarse goederen. Stel een stuk land dat door A en B geclaimd wordt zonder dat er een werkbare eigendomsregeling geldt. A en B riskeren in een negative sum-game terecht te komen door een voortdurend gevecht over de controle van dit stuk land. Met een heldere eigendomsregeling, die min of meer aansluit bij het dominante rechtvaardigheidsgevoel in de samenleving, vermijd je dit en kan men zijn energie wijden aan vreedzame productie. Deze zwaarwichtige reden ontbreekt echter bij intellectuele eigendom. Uitvindingen en artistieke creaties kunnen zonder veel kosten verspreid worden zodat iedereen er gebruik kan van maken. Waarom er dan eigendomsrechten op vestigen? Een beetje economische intuïtie helpt hier. Zonder aan uitvinders, auteurs en andere kunstenaars een exclusiviteit te geven op hun product, kunnen deze geen inkomsten genereren uit hun werk en vermindert of verdwijnt elke prikkel tot wetenschappelijke of artistieke creatie. Eigendom op lichamelijke goederen is voornamelijk een ordeningsinstrument. Eigendom op intellectuele goederen is voornamelijk een incentive-instrument.
Een verhaal uit een bizar eiland
Tot dit inzicht kwam men geleidelijk in dat bizarre eiland, dat we Engeland plegen te noemen. Omdat Engeland in de veertiende eeuw technologisch hopeloos achter liep op Vlaanderen, verleende Edward III in 1331 een protection letter aan Jan Kempe en ander Vlaamse wevers. Zij mochten, los van de verstikkende gilde-reguleringen, hun nieuwe weeftechnieken gebruiken in ruil voor een fikse belasting. Dat werkte zo bijzonder goed dat de daaropvolgende koningen steeds maar meer ‘monopolies’ verleenden aan meestal buitenlandse producenten. Omdat in dit bizarre land de koning de rechterlijke macht niet controleerde staken de rechters van Westminster daar een ferme stok voor en in het beroemde precedent Darcy versus Allein van 1602 werden alle monopolies strijdig geacht met de principes van het common law. De koning was hiermee wel zijn monopoliewapen ontnomen, maar tegelijkertijd rees de vraag hoe innovatie nog kon gestimuleerd worden. Het Parlement, in dit bizarre land nog werkzaam en onafhankelijk, stemde daarom in 1624 de Statute of Monopolies waarbij aan elke uitvinder een patent van 14 jaar werd gegarandeerd. Er is bij de economische historici een vrij grote consensus dat dit open systeem in het verlenen van intellectuele eigendomsrechten sterk heeft bijgedragen aan de voorsprong van Engeland inzake wetenschappelijke en industriële ontwikkeling. Later werd dit concept ook uitgebreid naar artistieke creaties waardoor kunstenaars minder afhankelijk werden van koning en staat en via de markt een bestaan konden opbouwen.
Het kind met het badwater?
Het zou volkomen idioot zijn om, zoals Rutten en linkse company voorstellen, dit systeem af te schaffen. De linkse modelstaten van destijds, die het zonder intellectuele rechten deden, waren toonbeelden van wetenschappelijke en artistieke stagnatie. Hun innovatie gingen zij halen op de westerse markten van patenten en auteursrechten.
Dat belet niet dat ook hier misbruiken kunnen voorkomen. Soms kan het inderdaad zijn dat er een patent geldt op een productierecept waarvoor er geen substitutieproducten voorhanden zijn wat leidt tot monopoliemisbruik. Soms kan het zijn dat een ondernemer licenties van verschillende patenten nodig heeft en dat de patenthouder voor de laatst nodige licentie van zijn positie misbruik maakt om de ondernemer uit te knijpen. Voor dergelijke misbruiken zijn er in ons recht remedies voorhanden zoals dwanglicenties en ‘fair use defence’. Maar het is niet omdat er in een systeem misbruiken kunnen voorkomen dat men het systeem op de schop moet doen. Zonder intellectuele eigendomsrechten hadden we misschien in 2030 een vaccin. Misschien kunnen we Rutten en linkse company zolang laten wachten op een vaccin zodat ze de weldaden van hun ‘open’ systeem aan de lijve ondervinden.

