23 Jun 2016

Gastbijdrage: De eigen aard van Groot-Brittannië

0 Comment

Harry De PaepeDe Brexitcampagne sleept al lang aan, maar met de eindmeet in het zicht wordt het spannend. Het Verenigd Koninkrijk staat voor een belangrijk kruispunt. Nog maar nauwelijks is het Schotse referendum verwerkt en nu moet de bevolking alweer beslissen over het lidmaatschap van de Europese Unie, en daarmee ook over het lot van die unie. Er staat dus veel op het spel en dat is te merken aan de campagne. De kern van de discussie is de soevereiniteit van een natie. Moet zij het eigenbelang soms opgeven voor een mogelijk groter collectief belang?

(Artikelreeks ingestuurd door Harry De Paepe, redacteur van Doorbraak.)

De eigen aard van een natie

Doorbraak is een medium met vele gezichten, dat zal de lezer al gemerkt hebben. Maar natievorming, en soevereiniteit van een natie behoren tot onze kernmaterie en daarom komen we met een project waarin soevereiniteitsbewegingen in Europa centraal staan. Wat drijft die bewegingen, en hoever willen zij die soevereiniteit zien reiken?

Het Brexit-debat bekijken we in dit bredere kader. Vanaf morgen start er een zevendelige reeks over de geschiedenis van de verhouding tussen het VK en EU. Daarnaast publiceren we analyses over de economische, politieke en sociale consequenties van het referendum. Het VK wordt door de enen bewonderd, en door anderen verfoeid. Met zijn opvallende eigen aard trekt het de aandacht van mensen van over de hele wereld. Het is, jawel, een eigenaardig land.

Het land met twee gezichten

Op zaterdag, stipt om elf uur op het uurwerk van Greenwich reed de koets met daarin de Queen de Horse Guards Parade op. Ze werd omringd door het scharlakenrood van de uniformen van de Britse grenadiers met de typische berenmuts, hun overwinningsmascotte sinds Waterloo. Trooping the Colour vindt plaats ter gelegenheid van de officiële verjaardag van de vorstin. De eeuwige kroonprins Charles omschreef het evenement ooit als ‘Britain at its best’. Timing is in dit land niet alleen in de humor perfect, maar ook bij veel ceremonieel. Voor de treinen lukt dat jammer genoeg wat minder.

Tuig in dienst van ‘the King’

Terwijl in Londen de Britten etaleerden waar ze sterk in zijn, gebeurde bijna op hetzelfde moment in Marseille iets waar ze ook een patent op hebben. Hooligans richtten vernielingen aan in het stadscentrum en raakten slaags met soortgenoten van andere landen. Het scharlakenrood van de Engelse Saint Georgevlag vermengde zich met het bloed van de hoofd- en andere wonden van de vechtersbazen. Kortgeschoren kerels met een bierbuik, die agressieve slogans brullen, het is bijna even iconisch als de berenmutsen. Ironisch genoeg was er ooit een link. Het Britse systeem was vroeger zo dat tuig de keuze kreeg: ofwel zat je een gevangenisstraf uit ofwel diende je in His Majesty’s leger. Het zorgde ervoor dat de roodjakken van de Britten gevreesd werden door hun tegenstanders omwille van hun verbetenheid, maar ook omwille van hun koelbloedigheid in de meest gevaarlijke omstandigheden.

Archaïsche democratie

Op de Britse eilanden zijn ze altijd aanhangers geweest van Janus, de Romeinse god met de twee gezichten. Net als de Britten zelf kijkt hij naar het verleden om de toekomst tegemoet te treden. In het Brexitdebat duiken er argumenten op die ons continentalen nogal nostalgisch aandoen. We horen over het Gemenebest, over banden met naties overzee, alsof Groot-Brittannië nog altijd het centrum van een wereldrijk is. Men heeft het er over taking back our democracy. Ze gaan er prat op de Magna Carta uit 1215, het eerste document waarin vrijheden worden opgesomd. Maar waar in de westerse democratieën vind je nu nog een Kamer waarvan de leden niét verkozen zijn? Of wat te denken van de nog altijd bestaande Staatskerk, waardoor bisschoppen sowieso in het Hogerhuis zetelen? En toch. Het is Stephen Fry die er in een interview op wees dat hij ondanks de archaïsche wetten over monarchie, parlement en kerk geen enkel ander land kent waar de democratie zo hoog in het vaandel wordt gevoerd. Het Verenigd Koninkrijk is het land van de vrije meningsuiting bij uitstek, gesymboliseerd door de zeepkisten van Speaker’s Corner. Het land heeft sinds de 17de eeuw geen enkele dictatuur meer gekend, en toonde zich telkens de voorvechter van vrijheid toen landen van Frankrijk tot Duitsland nog door bloederige fases gingen om zich tot democratieën te ontpoppen. De Schotten konden zelf kiezen voor een al dan niet onafhankelijke staat, iets waar Catalanen en Vlaams-nationalisten voorlopig alleen maar van kunnen dromen. Nu krijgt de gehele bevolking eenzelfde keuze: zien ze hun lot in, of buiten de EU?

Ascot en de hooligans

Janus toont zich ook op sociaal vlak. De god, zo geloofden de Romeinen, beëindigde de barbarij en bracht beschaving. Maar het beschaafde land van de romans van P.G. Wodehouse en Julian Fellowes is ook het verdorven land van Oliver Twist en Trainspotting. Armoede en rijkdom leven er naast elkaar, op een voor ons ongemakkelijke wijze. Bingedrinking en tienerzwangerschappen zijn er zowaar doodnormaal, verneemt de lezer in zijn dagelijkse krant. Die problematiek dringt nu door op de events van de high society van het eiland. Waar vroeger de paardenrennen van Ascot voor de aristocratie bedoeld en voorbehouden waren, duiken ook daar tegenwoordig vechtpartijen en straalbezopen gazonslapers op.

Janus’ werk sputtert wat. Een Britse zondagskrant zette de Queen en de hooligans van voorbije zaterdag bij elkaar op de voorpagina. Het is een beeld dat eigenlijk al eeuwenoud is: dat van een land met twee gezichten.

Van inspirator tot dienstweigeraar

Nu de voor- en tegenstanders van de Europese Unie naar goede traditie in het Verenigd Koninkrijk verwikkeld zijn in debat dat bepalend is, duikt ‘hij’ weer op. De man die zowat hét symbool is geworden van de strijdbaarheid van de Britse eilanden. De buldog in menselijke gedaante, sir Winston Churchill. Hij wordt in beide kampen opgevoerd, elk om hun gelijk te halen.

We are with Europe …

Churchill sprak inderdaad op de puinen van de Tweede Wereldoorlog over de toekomst van Europa. In 1946 oreerde hij in de universiteit van Zurich: ‘We moeten een Verenigde Staten van Europa opbouwen.’ Die term, ‘Verenigde Staten van Europa’, had hij al gebruikt in oktober 1942 in een brief naar zijn Buitenlandminister Anthony Eden, waarin hij hoopte op zo’n unie, zonder Rusland, waarbij de grenzen van geen tel meer zouden zijn. In 1947 hield hij een toespraak voor de door hem opgerichte International Committee of the Movements for European Unity en spiegelde hij zijn toehoorders dezelfde visie voor. Churchill benadrukte dat zijn land een vooraanstaande rol hoorde te spelen. Keer op keer herhaalde hij dezelfde boodschap: het VK, Frankrijk en Duitsland schouder aan schouder in een nieuw Europa.
Maar van hem zijn de al even gevleugelde woorden: We are with Europe, but not of it. Woorden uit de jaren 1930. Ook op 27 juni 1950 bleef hij daar achter staan, toen hij zich tot het Lagerhuis richtte: ‘Ik kan me geen moment voorstellen dat Brittannië gewoon lid wordt van een Federaal Europa en daardoor gelimiteerd tot enkel Europa.’

… but not of it

De herhaalde toespraken hadden ook een impact op de Europese politici en zij voelden zich aangespoord om werk te maken van dat Europees project. Men keek zelfs reikhalzend uit naar een voortrekkersrol van de Britten. In maart 1948 ondertekenden Groot-Brittannië, Frankrijk en de Benelux-landen het militaire Pact van Brussel, onder leiding van Ernest Bevin, Brits minister van Buitenlandse Zaken. Diezelfde Bevin zou de voorstellen van Frankrijk om een economische tolunie en de oprichting van een soort Europees Parlement afwijzen. Toen in mei 1949 de Raad van Europa opgericht werd, zou ook hij een boycot uitspreken. In mei 1948 werd er in Den Haag een voorbereidend congres gehouden over die Europese Raad, onder voorzitterschap van de grote inspirator Churchill, intussen premier af. De oorlogsheld hield een pleidooi om Duitsland erbij te betrekken. De diplomaat en later politicus Julian Amery verklaarde over deze oproep: ‘Hij zei dat je Duitsland erbij moest betrekken. Afgaand op de gegeneerde reactie van de aanwezigen leek het wel of Churchill had publiekelijk een wind gelaten.’

Vastklampen aan Empire

Bij de groeiende toenadering waren het evenwel niet de Duitsers die aan de kant bleven staan, maar de Britten. Frankrijk stelde in 1950 voor de kolen- en staalnijverheid een verreikende samenwerking voor tussen hen, Duitsland en al wie dat wilde. Het Britse getalm werkte Robert Schuman zodanig op de zenuwen, dat hij in juni van dat jaar het VK een ultimatum stelde. De Britten vonden de toon van de Fransman ongemanierd, en ze werden ook afgeschrikt door interne documenten waarin ronduit werd geopperd om te evolueren naar een federaal Europa. Ze wezen dat dwingende verzoek af. Dit betekende een klap voor de deelnemende landen en even leek de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal gedoemd te mislukken, maar de oprichting kwam er tenslotte toch in april 1951. Anthony Eden, intussen opnieuw Buitenlandminister onder Churchill, verklaarde over de Europese samenwerking en de Britten onomwonden dat ‘we know in our bones we cannot do, our thoughts move across the sea … that is our life’ [Diep in onszelf weten wij dat we dat niet kunnen, onze gedachten dwalen weg overzee … daar is ons leven]. Ze waanden zich nog de leiders van een wereldrijk.

De Franse torpedo

In de jaren ’60 kwam de kentering, en richtten de Britten hun ogen op Europa. Maar zowel in eigen land als in het buitenland kwam er felle weerstand.

It will never work

In 1955 kwamen de Europese landen samen in Messina in Sicilië, en opnieuw hoopte men op een Britse deelname en zelfs op hun leiderschap. Maar de Britten zaten nog volop met hun hoofd in hun ontbindend Empire en toonden weinig of geen interesse. Intussen was Anthony Eden premier geworden, en hij stuurde de volslagen onbekende diplomaat Russel Bretherton naar Messina, wellicht ter vervanging van zijn kat. De man zat tijdens de besprekingen met gekruiste armen naar de voorstellen van de andere diplomaten te luisteren. Ten slotte nam hij kort het woord: It will never work. Hij stond op en keerde niet meer terug. Twee jaar later werd het Verdrag van Rome ondertekend. De Britten hadden de historische kans gemist om mee te bepalen hoe de Europese Economische Gemeenschap eruit zou zien. Dat was zeker de opinie van Robert Boothby, op dat moment Brits afgevaardigde in de Raad van Europa. Hij verweet Eden de Britten van de kans te beroven om Europa te leiden. Omwille van de Britse afwezigheid stemde de latere bondskanselier Helmut Schmidt als jong parlementslid tegen het Verdrag.

De bocht van Macmillan

Harold Macmillan, die Eden opvolgde als regeringsleider, maakte in 1958 nog enthousiast een rondreis door de Commonwealth, de opvolger van het Britse Rijk, en voor hem zou dat Gemenebest alleen maar sterker worden. De realiteit toonde echter aan dat de EEG al snel de boventoon voerde en het VK steeds verder achterop hinkte. Macmillan had kort na de oorlog nog negatief geadviseerd over de Europese toenadering. Hij vreesde voor een West-Europese unie die zou gedomineerd worden door de Duitsers: ‘We zullen hen op een schaaltje aanbieden waar we ze net twee oorlogen voor bestreden hebben.’ Men probeerde met de oprichting van de European Free Trade Association in 1959 een alternatief voor de EEG op poten te zetten, maar zonder veel succes. In 1961 nam Macmillan de bocht, en het land diende officieel een toetredingsverzoek tot de EEG in. Edward Heath leidde aan de Britse kant de vijftien maanden lange onderhandelingen, maar de reactie van het continent was eerder lauw. In het VK zelf ontstond er ook de nodige ophef rond de toetredingsplannen. Macmillan stuurde spionnen naar lokale bijeenkomsten van zijn Conservatieve Partij, en die kregen hier en daar felle tegenstand te horen. Er werd zelfs geargumenteerd dat de EEG een paaps complot was om het protestantse Engeland te onderwerpen. Bij Labour was het de voorzitter zelf, Hugh Gaitskell die hard van leer trok. In oktober 1962 hield hij een vlammende speech tegen de EEG: ‘We zijn geen deel van Europa. We hebben een verschillend verleden. Dit lidmaatschap betekent het einde van het Verenigd Koninkrijk als een onafhankelijk land en het einde van 1000 jaar geschiedenis!’

De klap van De Gaulle

Harold Macmillan trok intussen naar Frankrijk om er met een oude kennis te praten. Hij kende Charles De Gaulle nog van de oorlogsjaren en ze hadden een relatief goede band. De Gaulle liet Macmillan verstaan dat het voor hem niet het juiste moment was. De Britse premier reageerde zichtbaar aangeslagen, waarop de Franse president hem plagend troostte: Ne pleurez pas, milord. Macmillan liet onderhandelaar Edward Heath echter in het ongewisse. De Gaulle sprak op 14 januari 1963 de internationale pers toe. Gevraagd naar het Franse standpunt over een mogelijke toetreding, torpedeerde de president vakkundig de Britse kansen: ‘Engeland is insulair en maritiem. Haar natuur en structuur en economische positie verschilt fundamenteel van de continentale economieën. Misschien slaagt op een dag Engeland er wel in zichzelf voldoende te veranderen om deel te kunnen worden van de Europese gemeenschap.’ De Belgische diplomaat Robert Rotschild, aanwezig op de persconferentie, sprak later over de impact van de toespraak: ‘Het was alsof de bliksem was ingeslagen.’ Enkele dagen later moest Harold Macmillan vernederd toegeven dat het over and out was met de poging tot toetreding. In Brussel, waar de onderhandelingen plaatsvonden, werd het Franse veto formeel uitgesproken. Noch Edward Heath noch zijn delegatie begrepen er iets van. De toenmalige Franse minister van Buitenlandse Zaken, Maurice Couve de Murville, gaf jaren later toe: ‘Ja, we hebben de Britten verraden.’

De coup d’état van Edward Heath

Edward Heath voelde zich persoonlijk vernederd na de mislukte onderhandelingen van 1963. De conservatief Heath nam zich voor hemel en aarde te bewegen om zijn land koste wat het kost bij de EEG te krijgen. Labour hielp hem daarbij een handje.

Labour vies van de EEG

Labourvoorzitter Harold Wilson won in 1964 nipt de Lagerhuisverkiezingen. Wilson had de eurosceptische partijleider Hugh Gaitskell opgevolgd in januari 1963, na diens plotse overlijden. Net als zijn voorganger had hij sceptisch gestaan tegenover een verenigd Europa. Wilson werd nu naar de EEG gedreven door de steeds benardere economische situatie van het VK – in 1966 ging de pond sterling door een diepe crisis – en er was ook de groeiende afkeer van de Vietnamoorlog, waardoor het land zich distantieerde van ‘bevoorrechte partner’ de Verenigde Staten. Hij betoogde binnen zijn eigen partij dat indien het VK nauwe banden zou behouden met de VS, het op termijn verplicht zou worden om steun te leveren in het Vietnamconflict. De VS zelf stuurden aan op een lidmaatschap van het VK bij de EEG.

Willy, you must get us in

Wilson werd door zijn administratie ervan overtuigd dat een op zichzelf gekeerd Groot-Brittannië zou uitmonden in een situatie dat de voormalige grootmacht slechts een ‘groter Zweden’ werd. Labour gebruikte echter zijn internationale relaties bij de sociaaldemocraten, en rekende erop dat kanselier Willy Brandt de toegangsdeur zou openen. ‘Willy, you must get us in so we can take the lead.’ De Britse premier zag de Britse rol als die van de kapitein van het schip. Tien jaar eerder zagen de Europese buurlanden dat net zo, maar eind jaren ’60 waren de opinies veranderd. President Charles De Gaulle speelde hierin opnieuw een prominente rol. Hij liet de andere vijf partnerlanden voelen dat la France niet stond te springen om toetreding van de Britten. De Labourregering spiegelde Parijs een Frans-Britse alliantie voor, als tegengewicht voor de groeiende Duitse macht. Daarmee bewees Londen dat het zijn aloude spel van evenwichtsdiplomatie in Europa niet had verleerd. Wilson probeerde de grootmachten tegen elkaar uit te spelen om als spreekwoordelijke derde hond met het been weg te lopen. Toen Wilson in 1967 de officiële aanvraag indiende om het VK in de EEG toe te laten, sprak de oude generaal opnieuw zijn veto uit. De Gaulle vreesde dat de Britten het Trojaanse paard van de Amerikanen zouden zijn. Hij had in maart 1966 niet voor niets zijn land uit de NAVO teruggetrokken. Neen, de Angelsaksen zou hij niet door de grote poort binnenhalen. Door de timing ervan was zijn veto nog extra pijnlijk: op 18 november 1967 had de Britse munt weer zware klappen gekregen, en dat natrappen van de president kwam elf dagen daarna.

Overtuig de Fransen ‘op zijn Frans’

Tegen 1970 was De Gaulle weg uit het Élysée, en had Edward Heath de sleutel van Downing Street 10 in handen. Heath was nu van plan te slagen waar hijzelf en zijn voorganger Wilson hadden gefaald. In 1971 stelde hij de twijfelaars in eigen en andere rangen gerust met een White Paper waarin hij duidelijk verklaarde dat er ‘geen sprake is van de afbrokkeling van de essentiële nationale soevereiniteit’. Maar, zei Heath, er is geen andere mogelijkheid dan toetreding. Indien de onderhandelingen zouden falen, dan betekende dat de ondergang van het VK. De premier had de verkiezingen gewonnen door onder meer de belofte dat hij het land zou moderniseren. De EEG moest daarbij het middel tot vernieuwing worden. Heath wist dat hij vooral Frankrijk diende te overtuigen van dit pleit. De opvolger van De Gaulle, Georges Pompidou, toonde zich niet weigerachtig. Daarop haalde Heath heel zijn diplomatieke kunnen uit de kast, en in mei 1971 speelde de premier gastheer voor de Franse president, in de Britse ambassade te Parijs. Christopher Soames, kleinzoon van Winston Churchill en op dat moment Brits ambassadeur in Frankrijk, kreeg de regie van het charmeoffensief in handen, en hij wist de Franse delegatie te charmeren met lekker eten en drinken. De Britten zelf hadden de koele kikker Heath nog nooit zo breed zien lachen en grapjes horen maken als tijdens die gesprekken. Op 21 mei 1971 verklaarde Pompidou, in dezelfde ruimte waar zijn voorganger de eerdere pogingen vakkundig had gekelderd, dat Frankrijk zij aan zij stond met het Verenigd Koninkrijk. De deal was in drie dagen tijd beklonken. Het was Heath’s politiek hoogtepunt, maar thuis stonden de critici hem op te wachten.

De robust tegen de shits

In oktober van hetzelfde jaar haalde de erudiete Enoch Powell het hele akkoord onderuit op de jaarlijkse partijconferentie. De vernietigende speech was te zien in alle nieuwsuitzendingen, en Heath kon zijn fysieke afkeuring niet wegsteken. Nochtans had Powell de vorige conservatieve premier, Harold Macmillan gesteund in diens toetredingspoging. Ook de Labourpartij, hoewel intern verdeeld, keerde zich tegen het akkoord met de Fransen. Niet omwille van de toetreding, maar omwille van de slechte voorwaarden, zo beweerden ze. De economische argumentatie die Heath en zijn kabinet aanbracht om de bevolking van het akkoord te overtuigen, werd overschaduwd door de aloude angst voor het verlies aan nationale soevereiniteit.

Eindelijk toetreding

Een jaar later, in oktober 1972, boog het Lagerhuis zich over de opname van de natie in de EEG. Officieel liet de premier een vrije stemming toe binnen zijn eigen partij, maar hij besefte dat hij met een krappe meerderheid zat. De conservatieven waren intern verdeeld tussen wat men de robust (pro-EEG) en de shits (anti-EEG) noemde. Daar tussenin zaten de wets, de twijfelaars. Om zeker te zijn moest Heath’s kabinet kunnen rekenen op de steun van dissidente Labour parlementsleden. Prominente sociaaldemocraten voerden de verschillende fracties aan. Roy Jenkins was een overtuigd Europeaan, maar de latere premier James Callaghan had zich al tot de Fransen gericht op het partijcongres: ‘Non, merci beaucoup.’ Er vond een debat van zes dagen plaats in Westminster. De European Communities Act kreeg een meerderheid van 112 achter zich. Maar 33 Tory’s stemden tegen, net als 69 Labourleden. 20 andere sociaaldemocraten onthielden zich na enkele nooit opgehelderde afspraken met de regering. Labourtopper Tony Benn, een hevige tegenstander, sprak van een coup d’état van Heath. Veel later bleek dat de regering Heath toen al weet had van de Europese plannen voor een eenheidsmunt.

Het referendum van 1975

In februari 1974 stond Harold Wilson terug op het bordes van de ambtswoning in Downing Street 10. Labour had de macht heroverd op de Tory’s, zij het met een minderheidsregering. Hoewel de partij in de verkiezingscampagne heel eurosceptisch uit de hoek kwam, dacht Wilson er niet aan het door Edward Heath ondertekende verdrag te verbreken. Hij beloofde een ferme heronderhandeling waarvan het resultaat zou worden voorgelegd aan de bevolking in een referendum.

Europese solidariteit

James Callaghan, een notoir criticus van de Europese gedachte zoals we al zagen, was Wilsons minister van Buitenlandse Zaken. Hij kreeg de opdracht om aan tafel te gaan zitten met de Europese partners. Vooraleer Callaghan naar Brussel trok, nodigde hij alle Britse ambassadeurs actief in de EEG-landen bij hem uit op het ministerie. Daar overhandigde hij elk van hen het verkiezingsmanifest van zijn partij, en droeg hen op de eurosceptische paragrafen te lezen over Europa. Dit zou voortaan de te bewandelen weg zijn. De onderhandelingen vatten aan op 1 april 1974 in Luxemburg. De minister ging meteen in de aanval tegen de plannen voor een toekomstige munteenheid en politieke eenheid tegen het jaar 1980. Daarnaast hamerde hij op de naar zijn mening te hoge bijdrage die het VK diende te betalen om deel uit te maken van de EEG. Bij een latere bijeenkomst milderde Callaghan zijn toon, waardoor de andere Europese ministers het gevoel kregen dat er vooruitgang werd geboekt. Intussen won Labour een tweede parlementsverkiezing in oktober 1974 en de partij had nu een nipte meerderheid. De discussie over de heronderhandelingen woedde volop in de socialistische rangen, en Wilson nodigde zijn Duitse ambtsgenoot, Helmut Schmidt uit voor het partijcongres in november 1974. De bondskanselier moest de twijfelende Labourleden ervan overtuigen om Europeesgezind te denken. ‘Uw continentale kameraden rekenen op u,’ bezwoer hij hen, ‘weeg dit alstublieft af wanneer u het over solidariteit hebt.’ Schmidt kreeg een warm applaus. Privé beloofde de Duitser aan Wilson garanties op toegevingen voor de Britten om hen in de EEG te houden.

Zieke man van Europa

Het parlement keurde in mei 1975 de Referendum Act goed, de wet die het houden van zo’n volksraadpleging mogelijk maakt. Deze wet was geheel nieuw in de Britse politieke traditie. De idee kwam oorspronkelijk van de eurosceptische conservatief Neil Marten die in 1972 voor de mogelijkheid van een referendum pleitte. Hoewel Labour er tot dan nog tegen was, steunde het Jenkins’ amendement in het parlement om de regering Heath te plagen. De partij nam de idee nu over. De bevraging zelf zou plaatsvinden op 5 juni van dat jaar. Wilson maakte zich sterk dat hij ervoor had gezorgd dat de nationale staten de EEG bestuurden. Anderen binnen Labour twijfelden hier sterk aan. Tony Benn bleef een felle tegenstander, staatssecretaris Shirley Williams zag geen fundamentele wijzigingen en verzette zich: ‘Ik vond het vooral een slimme manier van Wilson om zijn partij bijeen te houden.’ Het nee-kamp had immers de economische wind tegen en verloor snel aanhang. De inflatie was dat jaar alleen al met 27% gestegen en internationaal was het VK de zieke man van Europa geworden. James Callaghan benadrukte keer op keer dat het land meer te verliezen had bij een uittreding dan bij een lidmaatschap van de EEG. Uiteindelijk stemden een ruime 67% van de kiezers voor. De regering had gewonnen. De economische realiteit had het pleit voor nationale soevereiniteit volledig overschaduwd.

De vrouw die Europa bijeenbracht

Weinigen weten dat Margaret Thatcher, het oersymbool van Brits euroscepticisme, de Europese gedachte alleen maar sterker maakte. Margaret Thatcher voerde tijdens de referendumcampagne actief propaganda om ‘ja’ te stemmen. Ze geloofde in de Europese gedachte omwille van de economische voordelen die het met zich meebracht. In 1978 pleitte ze nog voor een Europees defensiebeleid, en nam ze de Labourregering op de korrel omdat die er niet in slaagde toe te treden tot het Europees Wisselkoersmechanisme.

I want my money back

Haar geloof kreeg een eerste knauw enkele maanden na haar aantreden als premier in 1979. Ze vond dat het VK en de Duitse Bondsrepubliek opdraaiden voor de kosten van de EEG. De premier baseerde zich op de bepalingen van de toetreding van 1972 met daarin: ‘… mocht er binnen de huidige Gemeenschap een onaanvaardbare situatie ontstaan, het voortbestaan van de Gemeenschap zou vereisen dat de instellingen naar billijke oplossingen zouden zoeken.’ De Britten vonden hun bijdrage onaanvaardbaar, en Thatcher eiste nu haar geld terug. In een toespraak in Luxemburg waarschuwde ze: ‘Ik kan geen kerstman spelen voor de Gemeenschap terwijl aan mijn eigen kiezers wordt gevraagd afstand te doen van verbeteringen op het terrein van gezondheid, onderwijs, welzijn en de rest.’

De Gaulle met een rok aan

De Europese Raad van Regeringsleiders kwam in november ’79 samen in Dublin, en daar legde Thatcher de voor de Britten nadelige financiële regeling op tafel. Dat deed ze vrij brutaal. De Franse president Valéry Giscard d’Estaing – die haar aanduidde als ‘la fille d’ épicier’* – vond dat Thatcher niet het recht had om over my money te spreken, Helmut Schmidt wierp haar voor de voeten dat ze nog geen penny had betaald. De Britse premier bond niet in, en zette het punt telkens opnieuw op de agenda, tot ergernis van de Fransen en de Duitsers. Een Britse diplomaat getuigde later: ‘Na een tijdje deed één van hen of hij in slaap viel terwijl de anderen heel verveeld zaten te kijken naar mevrouw Thatcher.’ De Britten keerden boos uit Dublin terug, in eigen land oogstte Thatcher lof voor haar bravoure. In het buitenland werd de Britse houding neergesabeld, met uitzondering van Le Figaro: ‘Mevrouw Thatcher ervan beschuldigen dat ze Europa wil torpederen omdat ze de belangen van haar land met grote vastberadenheid verdedigt, is haar onderliggende bedoelingen in twijfel trekken op dezelfde manier als men dat placht te doen met die van De Gaulle betreffende de Franse belangen.’

Onmogelijk mens

Thatchers onverzettelijkheid leverde enig resultaat op. In volgende conferenties kon ze de bijdrage wat verlagen, maar nog te weinig naar haar zin. In maart 1984, op een bijeenkomst te Brussel maakte ze haar gesprekpartners zo radeloos dat de vergadering onverwacht werd gesloten. Men noemde haar ‘onmogelijk’ en de Griekse premier Andreas Papandreou zou het ‘een grote opluchting’ vinden, mocht het VK de EEG verlaten. De Italianen en Fransen dreigden om de eerder afgesproken terugbetalingen te blokkeren waarop de regering in Londen terugbeet dat het alle geplande betalingen zou schrappen.

In de zomer van dat jaar zou ze op het Franse paleis van Fontainebleau haar handtas opnieuw rondslingeren om het Britse geld terug te krijgen. François Mitterrand observeerde bij Thatcher de ‘ogen van Caligula’ gecombineerd met ‘de lippen van Marilyn Monroe’. Zelf hoopte ze op 100% terugbetaling, maar ze keerde naar huis met 66%. ‘Ze kreeg meer dan ze verdiende’, verklaarde de Deense premier Uffe Elleman Jensen achteraf. De IJzeren Dame was tot tranen toe teleurgesteld, maar ze kreeg haar resultaat als een overwinning verkocht. Thatchers Financiënminister Nigel Lawson merkte later op dat zij door haar houding ongewild een bijdrage leverde aan de Europese eenmaking. Iedereen werkte samen tegen haar.

No, no, no!

Margaret Thatcher werd gedreven door haar vrijemarktdenken. Haar ambitie op Europees vlak was te streven naar één gemeenschappelijke markt, een zone van vrijhandel en vrije onderneming. Onder haar impuls vatten de Europese lidstaten dit debat aan.

Trojaans paard van Thatcher

Thatcher steunde de nieuwbakken Commissievoorzitter Jacques Delors die volgens haar van ‘een uitzonderlijk formidabele diersoort’ kwam. Lord Arthur Cockfield werd de Britse Europese Commissaris voor de Interne markt, hij moest de waakhond van de Britse belangen worden. Cockfield zou ijveren voor een grenzenvrij Europa ten dienste van die markt. Dit idee maakte Thatcher woedend en ze verweet haar partijgenoot verraad, ‘Cockfield’s gone native.’ De Britse commissaris hekelde openlijk het Britse verzet tegen de harmonisering van de BTW-tarieven. Thatcher riep hem op het matje maar het werd een dovemansgesprek.

‘Dat stond al in het Verdrag van Rome. Premier, u moet lezen voor u iets ondertekent.’ ‘Ik heb dat niet getekend!’ ‘Dat weet ik. U zat wel in de regering die het ondertekende.’ Cockfields reactie werd beantwoord met stilte. Hij was ervan overtuigd dat Thatcher nooit had beseft hoe ver de gevolgen van de eengemaakte markt wel reikten.

Afbraak van het veto

Op de Europese Raad te Luxemburg in december 1985 kwamen de lidstaten overeen om het Verdrag van Rome te wijzigen om te komen tot een eengemaakte markt. In het bereikte akkoord, ‘een compromis van vooruitgang’ volgens Delors, werd het economische vetorecht voor een lidstaat verlaten in ruil voor meerderheidsstemmingen. De wetgeving, de Single European Act, werd door het Lagerhuis gejaagd en bijna onopgemerkt verloor het Britse parlement zijn impact op de economische beslissingen van de Europese Gemeenschap. Paradoxaal is de meest eurosceptische bewoner van Downing Street verantwoordelijk voor de grootste verzwakking van het Britse veto in Europese zaken. Later gaf ze toe: ‘Ik heb er mijn vingers verbrand, omdat ik hen vertrouwde.’

Up yours, Delors! (The Sun)

In september 1988 richtte de socialist Jacques Delors zich tot de Britse vakbonden op een conferentie in Bournemouth. Hij hield hen een beeld voor van Europa dat veel verder ging dan een eengemaakte markt. Hij wilde een socialer Europa dat een maatschappelijk overleg kende tussen bazen en vakbonden en waarbij op Europees niveau zou worden onderhandeld. Hij beloofde hen de ontwikkeling van Europese wetgeving die elke dwarsboming van de bonden zou bestrijden. Hij werd bedankt met een spontaan zangkoor van Frère Jacques. De IJzeren Dame reageerde furieus. Met haar eerder door het ministerie van Buitenlandse Zaken geredigeerde speech, dertien dagen later in Brugge uitgesproken, sloeg ze terug met de mythische handtas: ‘We hebben niet jarenlang hard gewerkt om de verlamming van het socialisme te bestrijden om die nu via de achterdeur van Brusselse centrale macht en bureaucratie weer te zien binnensluipen.’ Die toespraak was ook het begin van de openlijke strijd tussen haarzelf en haar minister van Buitenlandse Zaken Geoffrey Howe.

De val van de Berlijnse Muur in 1989 versnelde het integratieproces, en de premier ging almaar openlijker op het rempedaal staan. Aan de vooravond van de Europese top in Rome van oktober 1990 verklaarde Howe dat de conservatieve regering in principe niet gekant was tegen een eenheidsmunt. In het Lagerhuis verklaarde zijn premier echter klaar en duidelijk: ‘Deze regering gelooft in het pond sterling.’ Met haar gekende vuur verwierp ze de voorstellen van de Commissie Delors voor een Europese Regering, een Europees parlement als Huis van Afgevaardigden, de Commissie als uitvoerend orgaan, en de Raad van Ministers als een Eerste Kamer. ‘No! No! No!’ was haar antwoord. ‘Onze houding tegenover Europa raakte volledig versnipperd,’ herinnerde Howe zich, en de minzame minister van Buitenlandse Zaken trad terug uit de regering. Howes besluit zorgde voor een heuse opstand tegen Thatcher binnen de Conservative Party. Margaret Thatchers voorzitterschap werd uitgedaagd en haar elfjarige bewind viel, onder meer door de ontstane onenigheid over de Britse positie in Europa.

In, out, in, out.

‘Ik wil Groot-Brittannië in het hart van Europa brengen,’ dat verklaarde John Major op 23 maart 1991. Hij had drie maanden daarvoor Margaret Thatcher opgevolgd als premier.

Vechten om Maastricht

Vanuit de Verenigde Staten kapittelde Thatcher de uitspraken van haar opvolger en waarschuwde ze voor het gevaar dat de Europese Gemeenschap een soort VS van Europa zou worden. De leidende Conservatieve Partij was hopeloos verdeeld tussen eurofielen en eurosceptici. Major kreeg deze tweedracht maar niet onder controle. Zes maanden lang rolden zijn partijgenoten over de straten door het debat over het Verdrag van Maastricht. Thatcher, intussen barones, vuurde vanuit het Hogerhuis de eurosceptici aan en bezwoer ‘I could never have signed that Treaty.’ Uiteindelijk rekende de regering Major op de steun van het herlevende Labour en de Liberal Democrats om het Verdrag van Maastricht goed te keuren. De beursklapper Black Wednesday van 16 september 1992, dwong de Britten om het pond uit het Europese Wisselkoersmechanisme te lichten.

In de EU zonder euro

De barre economische gevolgen op korte termijn en de aanhoudende verdeeldheid van de regering hielpen de jonge Tony Blair om de verkiezingen voor New Labour te winnen in 1997. Blair werd niet alleen in zijn land onthaald als een politieke messias, ook aan de andere kant van het Kanaal behandelden ze hem als een superster. Zijn eerste Europese optreden tijdens een informele top in Nederland leverde beelden op van Europese politici die stonden te drummen om samen met Blair op de foto te gaan. ‘De EU moet focussen op zaken die er toe doen,’ verklaarde hij. Blair en zijn Financiënminister Gordon Brown geraakten tegen de eeuwwisseling aan in een pittig debat verwikkeld. De premier zag de toetreding van zijn land tot de euro wel zitten, Brown echter was daar niet van overtuigd. Vrijwel op zijn eentje confronteerde hij Blair en zijn collega’s met de gevaren die een gemeenschappelijke munt opleverden. ‘Ik was zelfs bereid mijn ministerpost op te zeggen, mochten we toch toetreden ondanks mijn advies.’ Hij ontwierp the five economic tests, vijf criteria waar de euro aan moest voldoen, wilde men het pond verlaten. Zowel in 1997, 2001 als 2007 – Brown was inmiddels premier geworden – antwoordde de Labourregering negatief op basis van die criteria.

De comeback van het referendum

Op 20 april 2004 sprak Tony Blair in zijn bevlogen stijl het Lagerhuis toe over de voorgestelde Europese Grondwet: ‘let the people have the final say’ [geef het volk het laatste woord]. Op alle banken klonk er instemming. Blair wilde een referendum over het voorstel van de Europese Grondwet, ontworpen door Valéry Giscard d’Estaing. Hij beschouwde het ‘als een op orde stellen van het huis’. De eurosceptici zagen er hun grote gelijk in, een staatsgreep van de Europese Unie. Op zich was Blair de idee van een referendum niet genegen, maar het was zijn Buitenlandminister Jack Straw die hem kon overtuigen. Straw was in 1975, net als vele Labourleden, actief geweest in de ‘No’-campagne tijdens het eerste Europareferendum. In het verkiezingsmanifest van 2005 beloofde de Labourpartij aan de kiezer een referendum over de Grondwet. Het kwam er echter nooit, omdat de Fransen en de Nederlanders de Europese Grondwet wegstemden in hun eigen referenda. De summier aangepaste versie van het document, het Verdrag van Lissabon werd zonder volksraadpleging ondertekend door de Labourregering. Tegenstanders noemden dit ‘het grote bedrog’. Blair verdedigde de beslissing van zijn opvolger Gordon Brown met ‘het volk maalt er toch niet om.’ Brown wees erop dat het niet om hetzelfde document ging, wat diplomaten later dan weer tegenspraken.

Opgejaagd door interne ruzie

Het referendumspook was echter uit de fles en de Conservatives bezwoeren de kiezer dat zij een referendum zouden uitschrijven. Nadat de kiezer in mei 2010 geen duidelijke winnaar had aangeduid, kwam het tot een regering van Tory’s en Liberal Democrats, onder leiding van David Cameron: een coalitieregering, op zich ongebruikelijk. De twee partijen spraken af om, in het belang van de samenhang van hun regering, het EU-debat onder de mat te vegen. De interne keuken van de Tory’s maakte echter dat het debat nooit echt verdween. Intussen was de eurosceptische UK Independence Party een opvallende speler geworden. De Tory’s voelden zich opgejaagd wild. De hete adem van Nigel Farage, de UKIP-voorzitter, dreef David Cameron naar een opvallende zet. Op 23 januari 2013 verklaarde de premier in zijn Bloomberg speech dat hij de positie van het Verenigd Koninkrijk wilde heronderhandelen, en op basis daarvan de toekomst van zijn land binnen de EU aan het volk zou voorleggen. Echter, hij achtte dit alleen mogelijk indien hij herverkozen zou worden als premier. Zo geschiedde in 2015, en ditmaal met een volledig conservatief kabinet. Critici zien in zijn referendumbelofte vooral een poging om het interne partijdebat eens en voor altijd te beslechten.

[top]