Essay: Wapens in Amerika
Eens in de zoveel tijd springen onze media op spectaculaire Amerikaanse schietpartijen. Dat een gek onschuldige mensen, bij voorkeur kinderen, doodschiet is een journalistiek feestmaal om de karikatuur van Amerikanen en wapenbezitters kracht bij te zetten. Een sterk staaltje cultureel-marxisme, dat niet gespeend is van enige context. Bij deze een stuk over de wapens in de Verenigde Staten en de cijfers die de constructieve journalistiek niet verslaat.
(Essay door Xavier Everaert, lid van Libera! en doctoraatsstudent rechtseconomie aan de universiteit van Turijn) — Lees hier het essay in PDF
Dat elke schietpartij een tragedie is, neemt niet weg dat we de aandacht moeten vestigen op een aantal fundamentele zaken. Een vogelperspectief laat ons toe om het probleem beter te begrijpen, en dus om de juiste oplossingen aan te reiken. Een totale ontwapening is daar geen van.
Sinds de piek van 1993, waarbij 7 dodelijke slachtoffers per 100.000 mensen vielen bij schietpartijen in de Verenigde Staten, is dat aantal gehalveerd. Zelfs als we de piek van begin jaren ’90 uitvlakken zien we een sterke dalende trend die zich decennialang doorzet. Dat is opmerkelijk om twee redenen: enerzijds is de bevolking sinds 1993 sterk toegenomen, anderzijds en bovenal is het aantal wapens in handen van burgers sinds die tijd verdubbeld.
Met meer dan dubbel zoveel wapens als tijdens de piek van geweld in 1993 is het aantal dodelijke slachtoffers door vuurwapens gehalveerd. Die stelling choqueert. Voornamelijk omdat sociologisch onderzoek in de VS aantoont dat een grote meerderheid van de Amerikanen denkt dat het aantal schietdoden zijn toegenomen.
Die verkeerde perceptie, o.a. door de uitgebreide media-aandacht en politieke recuperatie door de linkerzijde, is wellicht één van de redenen waarom steeds meer mensen een wapen aanschaffen. Het aantal vrouwen dat een wapenvergunning kreeg is zelfs met 83 % gestegen!
Maar dat onveiligheidsgevoel gaat op zijn beurt gepaard met een halvering van het aantal schietincidenten. Dat is niet onlogisch, en wordt beschreven in het boek “More Guns, Less Crime” van John Lott. Wanneer de kans stijgt dat mensen en huishoudens over wapens beschikken, zijn criminelen minder geneigd om homejackings of roofmoorden uit te voeren. Op die manier wordt risico-avers gedrag steeds lucratiever.
Een kwalijk gevolg daarvan is dat criminelen niet plots rechtschapen burgers worden. Integendeel. Zij zullen hun crimineel gedrag verplaatsen naar die plaatsen waar de kans op wapendracht het kleinst is: zoals bijvoorbeeld scholen.
De scholen die altijd worden geviseerd zijn evenmin een random sample van Amerikaanse scholen. Het zijn scholen in kleinere steden of buiten stedelijk gebied (minder densiteit, dus minder kans op “good guys with guns”), en scholen die zichzelf profileren als “gun free zone”. Met andere woorden: scholen die zichzelf kenbaar maken aan criminelen als gemakkelijke doelwitten voor trigger happy gekken.
In de regel ontgaat deze context het journaille. In het slechtste geval filteren ze het weg. De kern van de zaak blijft dat, gezien de enorme particuliere proliferatie in de VS, de implosie van wapendelicten en het feit dat schutters in de regel hun wapen op illegale wijze gekocht hebben, het argument voor strengere wapenwetgeving niet langer houdbaar is. Alles wijst erop dat we moeten kijken naar het daderprofiel en het plaats delict.
Dat het niet wenselijk is om scholen om te vormen tot versterkte burchten hoeft weinig betoog. Hoewel dit ongetwijfeld een preventief effect zal hebben, is het een dure algemene oplossing voor een relatief beperkt probleem. Al horen scholen vrij te zijn om te bepalen hoe ver ze gaan in de beveiliging van hun eigendom en dienstverlening.
Wat leren daderprofielen ons? Daderprofielen zijn in casu niet duidelijk afgelijnd. Het gaat voornamelijk om sociaal geïsoleerde jonge mannen die in de regel een link hebben met de school. Vaak zijn ook psychofarmaca in het spel, en zijn gezinssituaties problematisch. Maar één kernelement ontbreekt in elk daderprofiel: de dader is zelden een ervaren sportschutter of wapenverzamelaar. Het is dus wetenschappelijk niet correct om zulke criminelen als representatief voor de miljoenen wapenbezitters en –liefhebbers te framen.
Ter illustratie: Honduras heeft het hoogst aantal per capita moorden ter wereld, en een totaal wapenverbod. Zwitserland daarentegen, met evenveel inwoners als Honduras, vereist bij wet dat elk gezin over een aanvalswapen moet beschikken, en heeft het laagste aantal per capita moorden. Culturele factoren, vaak taboe in linkse en journalistieke kringen, lijken dus een belangrijke rol te spelen.
Zo kunnen we onder andere niet om de schokkende trend heen dat de schoolschutters, zoals de schutter in Oregon, opgroeien in gebroken gezin zonder vader. Schutters blijken dus een stuk representatiever voor vaderloze kinderen dan voor de miljoenen normaal functionerende wapenliefhebbers. Robert Sampson, socioloog aan de universiteit van Harvard, noemt een gebroken gezinssituatie, en in het bijzonder de afwezigheid van vaderfiguren, de belangrijkste voorspellende factor met betrekking tot wapengeweld.
Maar dat past natuurlijk allerminst in het narratief van het moderne feminisme, en de progressieve oorlog tegen het klassieke gezin.
Alles wijst er dus op dat, willen we zo’n drama’s preventief aanpakken, we ons moeten richten op het probleem van het sociaal isolement, problematische thuissituaties en de beschikbaarheid van bepaalde medicatie voor jongeren. Een goedwerkende Amerikaanse variant van het CLB – tot op vandaag onbestaande – zou dus al een stap in de goede richting zijn. Aanvullend kunnen relatief eenvoudige beleidsmaatregelen een gunstig effect hebben: kinderen uitsluiten van het gebruik van antidepressiva, strafverzwaring voor ouders wiens kinderen met hun wapens worden betrapt, en periodieke screening van de gehele gezinssituatie bij het verlenen van wapenvergunningen.
Bovendien is slechts 0.2% van de moorden in Amerika te wijten aan massa-schietpartijen. Het zou getuigen van weinig smaak om zulke schietpartijen te downplayen, zoals Jeb Bush onlangs leek te insinueren. Maar er is dringend nood aan perspectief. Als we iets willen doen aan wapendelicten, dan moeten we kijken waar we precies het meeste schade kunnen voorkomen.
Een kleine vergelijking. In 2010 werden 62.593 zwarte Amerikanen door blanke medeburgers gewond of gedood met wapens, terwijl 320.082 blanken door zwarten werden aangevallen. Vijf maal zoveel voor een bevolkingsgroep die minder dan een vijfde zo groot is als de blanke bevolkingsgroep. Dan hebben we het nog niet gehad op de grootste groep slachtoffers van het zwarte geweld: de zwarten zelf. Als het ons journaille te doen is om het minimaliseren van het aantal doden door schietincidenten, zouden ze consequent moeten pleiten voor de ontwapening van de zwarte bevolking, gezien hun oververtegenwoordiging in het wapengeweld. Daarmee zouden we, volgens het foutieve narratief dat het afnemen van wapens wapengeweld zou verminderen, het aantal wapendoden ruim halveren.
Maar de media hebben het uiteraard liever over de 0.2% doden door schoolschutters. Niet toevallig de enige groep wapendelicten waar de zwarte bevolking niet in oververtegenwoordigd is. Niet toevallig met voorsprong de kleinste groep wapendelicten.
Dat de linkerzijde de logische implicaties van haar eigen redenering niet durft doortrekken, bewijst dat zij ofwel geen idee hebben waar ze voor pleiten, ofwel een ander doel willen bereiken dan het minimaliseren van het aantal wapendoden: de totale ontwapening van soevereine burgers, en dus de totale onderwerping aan het geweldmonopolie van de staat.
Vooral dat laatste zou gevaarlijk zijn: een gevaarlijk sluipend populisme dat dodelijke slachtoffers misbruikt om de bittere pil van een verdere totalitarisering van de overheid te suikeren. Wat baten cijfers, logica en waarheid tegen een sterk mediatiek beeld van een dood kind? Of het nu in een Amerikaanse school ligt, of op een Turks strand.

