12 Oct 2012

Artikel: Onderwijs tussen staat, markt en samenleving

0 Comment

Op haar congres in Praag wijdde de Mont Pelerin Society ook een sessie aan het onderwijs. Dat was lang geleden. Hoewel er nogal wat klassiek-liberale literatuur over onderwijs bestaat bleef dit onderwerp wat in het verdomhoekje staan in deze liberale club. Nochtans is er voer genoeg voor discussie.

Vooreerst is onderwijs in de meeste westerse landen zwaar geëtatiseerd. Onderwijs is dikwijls een kweekschool voor anti-kapitalistische ‘mi-éduqués’, zoals Raymond Aron het destijds stelde. Het geëtatiseerde onderwijs scoort bovendien slecht in haar taak om ‘human resources’ voor te bereiden op een job op de arbeidsmarkt.

(Artikel door Boudewijn Bouckaert)

Op de conferentie kwamen onder meer aan het woord James Tooley, professor aan de universiteit van Newcastle en John O’Sullivan, Brits journalist en directeur van radio Free Europe/Liberty.

James Tooley, professor aan de universiteit van Newcastle en expert in het groeiende privaat onderwijs in ontwikkelingslanden, stelde de vraag of een flexibilisering van het schoolaanbod binnen het door de overheid bepaalde kader wel volstond. Hij haalde een reeks voorbeelden aan van min of meer geprivatiseerde scholen, gefinancierd door ouders of door de overheid uitgegeven vouchers. Deze scholen zijn ongetwijfeld een vooruitgang tegenover de door onderwijsvakbonden en bureaucraten gedomineerde overheidsscholen. De geprivatiseerde scholen blijven echter werken binnen het door de overheid gecreëerde onderwijskader.

De overheid blijft immers bepalen wanneer er onderwijs gegeven wordt (welke uren per dag, welke vakanties, welke leeftijden) en welke materies er moeten onderwezen worden (dit dikwijls via door de overheid bepaalde eindexamens). Onderwijs blijft daardoor de ‘last great cottage industry’ van de wereld. Een sector waarin nationale, regionale en lokale gefragmenteerde belangen nog altijd een zeer grote rol spelen. Het grootste school-district in de US, nl. New York, heeft een ‘omzet’ van amper 12,1 miljard Britse pond terwijl Wal-Mart er een heeft van 288 miljard Britse pond.

Volgens Tooley kan het geëtatiseerde onderwijskader het best uitgedaagd worden door private onderwijsnetwerken die een evenwaardige tegenspeler zijn van de overheid. Scholen hebben een enorme behoefte aan Research and Development (R&D). Dit kan alleen maar ontwikkeld worden wanneer scholen hun inspanningen ’poolen’. Schoolnetwerken zoals SABIS zijn in staat grondig onderzoek te verrichten naar inhoud, methode en structuur van het onderwijs. De innovatieve inzichten die hieruit kunnen voortvloeien zullen in een geëtatiseerd kader tegengewerkt worden door bureaucraten en onderwijsvakbonden.

Waarom moet het onderwijs bijvoorbeeld in de zomermaanden twee maanden stilliggen? Dit dateert nog van de agrarische periode toen kinderen op het land moesten werken. Waarom stopt het onderwijs in het midden van de namiddag? Dit dateert nog van de tijd dat de thuisblijvende middenklas-moeder de boterhammen en de chocolademelk voor de kinderen kon klaarzetten. Voor tweewerkende koppels is deze halve namiddag een praktische kopzorg. Aan deze structuren kan niets gewijzigd worden zolang het onderwijs in overheidshanden blijft. Tooley stelde dan ook om het strijdperk voor een geliberaliseerd onderwijs te verbreden. Niet alleen de organisatie en de financiering van een school op zichzelf maar ook het gehele onderwijskader moet door geglobaliseerde private onderwijsnetwerken uitgedaagd worden.

John O’Sullivan sneed ook het onderwerp aan van de inhoud van het onderwijs. De eerste doelstelling van onderwijs is de belangeloze zoektocht naar de waarheid. Die doelstelling wordt bedreigd door zogenaamde nieuwe disciplines zoals ‘women studies’ en ‘race studies’ die in feite verkapte ideologieën zijn. De ontwikkeling van deze nieuwe disciplines wordt gepromoot door een klasse van geradicaliseerde intellectuelen die hierin een broodwinning zien buiten de markteconomie.

De tweede doelstelling van het onderwijs is de voorbereiding van de studenten op een loopbaan in de wereld van de arbeid. Door het kanaliseren van studenten naar richtingen waarvoor hoegenaamd geen vraag is op de arbeidsmarkt ( bv. politieke wetenschappen, cultuurwetenschappen, enz.) wordt een ‘ Lumpen-intelligentsia’ gecreëerd. Robert Conquest, de grote autoriteit over de stalinistische massamoorden ( zie zijn boek ‘The Harvest of Sorrow’), wees erop dat het bestaan van zo een ‘Lumpen-intelligentsia’ een belangrijke oorzaak was van de politieke instabiliteit in tsaristisch Rusland en het Midden-Oosten.

Een derde doelstelling is volgens O’Sullivan de overdracht van beschavingswaarden en gewoonten van generatie tot generatie. O’Sullivan was er zich van bewust dat dit een teer punt is voor liberalen, want deze opdracht kan een voorwendsel zijn om een conformistisch en conservatief onderwijskader op te leggen. O’Sullivan had er echter vertrouwen in dat een vermarkting van het onderwijs ook zal leiden naar een nadruk op deze opdracht van beschavingsoverdracht. Hij wees hierbij naar het onderwijs in de Victoriaanse periode. Dat was weinig of niet geëtatiseerd maar was wel doordrongen van de Victoriaanse morele regeneratie, beschreven door andere auteurs zoals Gertrude Himmelfarb (‘The De-Moralization of Society. From Victorian Virtues to Modern Values’).

In deze context kwam ook het probleem van de Islamscholen ter sprake. Deze scholen kunnen zich ontwikkelen tot haarden van reactionaire en obscurantistische indoctrinatie, haaks op de westerse beschavingswaarden. Zal privatisering niet leiden tot een expansie van deze scholen? O’ Sullivan was hierover nogal vrij optimistisch. Moslims zullen zich op langere termijn afkeren van dit obscurantisme en de opportuniteiten van een vrije en tolerante opvoeding inzien. Dit optimisme werd niet door de gehele zaal gedeeld. Zeker in continentaal Europa, waar de Islam geleidelijk het statuut van een erkende godsdienst heeft gekregen, kan ervoor gevreesd worden dat Moslims worden opgesloten in een reactionaire Moslim-zuil, om electorale redenen in stand gehouden door linkse politici.

O’Sullivan stelde in zijn bijdrage een aantal stapsgewijze hervormingen voor. In de eerste plaats moet, zoals Milton Friedman destijds voorstelde, in het secundair en hoger onderwijs een ‘educational voucher’ worden ingevoerd, die de macht van de ‘vraag naar onderwijs’ tegenover het ‘aanbod van het onderwijs’ herstelt. De ‘voucher’-principe is de laatste decennia meer en meer aanvaardbaar geworden bij het politieke centrum en antibureaucratisch links. Het ‘voucher’-principe in Engelmand werkt echter onvolkomen door de talrijke beperkingen erop. Zo mogen scholen geen selectie doorvoeren op grond van bekwaamheid. Ouders mogen geen extra bovenop de ‘voucher’ betalen. ‘Vouchers’ mogen niet gebruikt worden bij ‘for profit’-scholen. Het ‘marktsocialisme’ in het onderwijs heeft het onderwijs ongetwijfeld efficiënter gemaakt en minder verspillend. Het heeft niet geleid tot een fundamentele wijziging in het onderwijsaanbod.

Ten tweede, moeten de onderwijsvakbonden dringend ‘getemd’ worden. Vakbonden domineren het onderwijsgebeuren via ‘closed shop’-regelingen en via het zogenaamde ‘credentialism’, waarbij door henzelf opgemaakte kwalificaties de loopbaan van leraren gaan bepalen.

Tenslotte moet het hoger onderwijs dringend hervormd worden en meer toegespitst worden op de vraag op de arbeidsmarkt. O ‘Sullivan stelde dan ook voor dat aan studenten steeds een grafiek zou bezorgd worden waarin de evolutie van de ‘college costs’ en de evolutie van het gemiddeld inkomen van het beroep waarop de studie uitgeeft, wordt vermeld.

De MPS-sessie over onderwijs bewees dat het debat over de rol van de staat in het onderwijs dringend opnieuw op het voorplan moet worden gebracht. Libera! neemt zich voor in de komende maanden een colloquium te organiseren waarop dit thema centraal zal staan.

[top]