15 feb 2012

Artikel: De wet breken om het recht te halen

0 Reacties

Bij uitgeverij Lulu verscheen enkele maanden geleden het boek “De Kwantumsprong” vanwege Brecht Arnaert. Noch de auteur, noch het boekje passen in de gewone hokjes van de Vlaamse ideologische verkaveling. Brecht Arnaert was in een vorig leven een vurig N-VA-militant en zelfs kandidaat-voorzitter van de N-VA-Jongeren.

Hij combineerde zijn Vlaams-nationalisme met een ijverige belangstelling voor de ultraliberale Oostenrijkse school en de objectivistische romanschrijfster Ayn Rand. Deze combinatie is vrij zeldzaam in ons kneuterige Vlaanderen. Het essay van Brecht Arnaert ademt dan ook deze ongewone combinatie.

(Recensie van het boek door Boudewijn Bouckaert)
Download hier het artikel in PDF

Ayn Rand, zoals Arnaert keurig uiteenzet, wierp zich op epistemologisch vlak op als de tegenpool van Immanuel Kant. Deze laatste ontwikkelde de fameuze dichotomie van het Ding an Sich en het Ding für Mich. Door het feit dat onze kennisvermogens behept zijn met eigen categorieën zoals tijd en plaats, kunnen we nooit het Ding an Sich vatten, maar leidt onze kenniszoektocht naar een kennissubject-gebonden beeld van de werkelijkheid. Dit leidt volgens Arnaert niet alleen naar een epistemologisch nihilisme maar ook naar een politiek en ethisch nihilisme. Het beste wat we kunnen bereiken is een consensus tussen subjectieve opvattingen over wat rechtmatig en rechtvaardig is.

Daartegenover stelt Arnaert het objectivisme van Rand, dat in feite voortbouwt op de filosofie van Aristoteles en de intellectualistische traditie uit de middeleeuwen. Via de rede kunnen we doordringen in de essentie van het bestaan en menselijke natuur. De abstracte concepten, die we via ons redeneervermogen ontwikkelen, kunnen de inherente structuren van de werkelijkheid weergeven. Tussen Ding an Sich en Ding für Mich gaapt geen metafysische kloof.

Gewapend met deze epistemologische inzichten begeeft Arnaert zich vervolgens op de woelige wateren van de Belgische politiek. De Belgische politieke praktijk staat bekend en wordt dikwijls geroemd omwille ‘de kunst van het compromis’. Dat zou ons, als we journalisten en professoren van de zogenaamde politieke wetenschappen mochten geloven, al veel doden en ander onheil bespaard hebben. Arnaert gaat niet mee in deze verheerlijking van de Belgische compromispraktijk. Rechtvaardige compromissen kunnen slechts tot stand komen binnen een kader van gedeelde rechtvaardige principes. Een compromis over de prijs van een goed wordt ondermeer gesloten in de schaduw van het gedeelde respect voor de eigendomsrechten van koper en verkoper.

De Belgische communautaire verhoudingen worden echter gekenmerkt door totaal verschillende premissen van Vlaamse en Waalse kant. De Vlamingen, met vooral N-VA, gaan uit van verantwoordelijkheid, de Walen, met vooral PS, gaan uit van solidariteit (het afwentelen van de negatieve gevolgen van de eigen situatie op buitenstaanders). Als de een toegeeft aan de andere, dan geeft de een meteen zijn principe op en vice versa.

Tot hier hangt het verhaal van Arnaert goed aaneen. Vervolgens neemt de auteur een sprong, waarbij de coherentie met de voorgaande redenering niet zo duidelijk is. In België is volgens Arnaert in de jaren zeventig door de staatshervormers een staatsgreep gepleegd, door via allerlei grendels en bijzondere meerderheden de Vlamingen te beroven van hun meerderheidsmacht. Dat leidt tot de gekende blokkeringen van de verdere devolutie in België en een ongehoorde macht van de Franstalige partijvoorzitters. Volgens Arnaert, die beroep doet op het Hayekiaanse onderscheid tussen ‘law and legislation’, is deze staatsgreep een inbreuk op het natuurrecht. De staatshervormers hebben de Vlamingen van hun natuurlijk recht beroofd om het land volgens hun principes te hervormen.

Volgens Arnaert is de roep naar meer autonomie voor Vlaanderen eigenlijk een zwaktebod. De Vlamingen zouden integendeel hun meerderheidsmacht moeten laten gelden in heel België. Omdat deze meerderheidsmacht steunt op een natuurrechtelijk principe hebben de Vlamingen het recht om de grendels en veto’s, die sinds de jaren zeventig rond de Vlaamse meerderheid zijn gelegd, eenzijdig op te blazen. Via een nieuw ‘Plakkaet van Verlaetinghe’ nemen de Vlamingen hun recht op meerderheidsbeslissing in België terug om dan later via een meerderheidsbeslissing eventueel een onafhankelijke staat te stichten.

Deze laatste stelling is nogal verrassend voor een Vlaams-nationalist en roept toch enkele bedenkingen op. Vooreerst op rechtsfilosofisch vlak. De liberale natuurrechtsleer vertrekt zeker niet zomaar van het principe dat de meerderheid mag beslissen over de minderheid. Integendeel. Het uitgangspunt is eerder dat elke menselijke persoon beslist over zichzelf en over de goederen die zich binnen zijn rechtmatig domein van rechten situeren. Via een sociaal contract kunnen individuen de bescherming van de individuele rechten en het beheer van publieke goederen overdragen aan een politieke gemeenschap. Het valt te verwachten dat redelijke individuen de beslissingen binnen deze beperkte politieke gemeenschap zullen overlaten aan een meerderheid. De individuele rechten beschermen op die wijze de minderheden tegen de meerderheid, terwijl de democratische meerderheidsregel de meerderheid beschermt tegen oligarchische uitkomsten allerhande.

Trekken we de liberale natuurrechtsleer verder door naar het nationaliteitenvraagstuk, komen we uit op het vreedzame recht op secessie. Een groep heeft het recht zich af te scheiden van een bestaande politieke gemeenschap en er een nieuwe op te richten. Wanneer de Vlamingen uit het Belgisch staatsbestel willen treden en een nieuwe politieke gemeenschap willen uitbouwen, dan mogen de Franstaligen zich daar in principe niet tegen verzetten. Er is een principieel individueel recht op ‘self rule’ binnen een politieke gemeenschap. Er is een collectief recht op ‘self rule’ van groepen met een prepolitieke homogeniteit (het Wilson-principe).

Om het principieel recht op secessie te laten gelden moeten er meestal een aantal praktische obstakels over de modaliteiten van de scheiding worden overwonnen. En hier knelt het Belgisch schoentje. Net zoals er bij een echtscheiding dikwijls een gemeenschappelijke boedel is, die moet verdeeld worden tussen de vroegere partners, is er ook tussen Walen en Vlamingen een ‘commons’, zoals Brussel en de staatsschuld, waaromtrent de verdeling een moeilijke discussiebrok vormt. Dit overlaten aan de beslissing van één groep, puur omdat hij de grootste bevolking telt, is regelrecht in strijd met het beginsel van collectieve ‘self rule’.

Wil Vlaanderen vreedzaam van de ‘commons’ met de Franstaligen af geraken –wat veruit de verstandigste optie is- dan zal het een onderhandelde oplossing moeten bereiken, met een meerderheid aan de andere kant. Dit is net wat min of meer in de grendelgrondwet staat ingeschreven over de procedure voor het goedkeuren van de Bijzondere Wetten voor de Hervorming van de Instellingen (2/3 meerderheid en een meerderheid in elke taalgroep).

Kortom, de stelling van Arnaert dat de grendels in onze Belgische grondwetten in strijd zijn met het natuurrecht, lijkt me niet zo evident. Ze moeten echter geïnterpreteerd worden als modaliteiten van een mogelijke scheiding, nl. als een bescherming van een politieke gemeenschap tegenover de andere dat de scheiding zuiver wordt doorgevoerd ten voordele van de ene gemeenschap ten koste van de andere.

De discussie hierover is nog niet ten einde. Ze zal opnieuw openbarsten wanneer blijkt dat het di Rupo-compromis van deze regering niet in staat is om de instellingen van het federale België te stabiliseren. Misschien komt politiek Vlaanderen dan de geschiedenis tegen om te zeggen aan de Franstaligen dat we onze eigen weg gaan om dan vreedzaam ons gerechtigd deel uit de ‘commons’ te negociëren.

[begin]