08 mrt 2020

Lezing: Laudatio Prijs voor de Vrijheid 2020

0 Reacties

Op zaterdag 7 maart 2020 reikte Libera! in de Spiegelzaal van het Paleis op de Meir in Antwerpen haar jaarlijkse Prijs voor de Vrijheid uit.

De Strangers, de gekende satirische Antwerpse muziekgroep, waren onze laureaten in 2020. De onderstaande laudatio werd op die gelegenheid door Bart De Wever, burgemeester van Antwerpen, uitgesproken.

Geachte leden van de raad van bestuur,
Beste genodigden,
Beste Alex, Bob, John, Nest,

Het is mij niet alleen een eer, maar vooral een groot genoegen om vandaag de loftrompet over jullie af te steken.
Er werd mij gevraagd een laudatio uit te spreken. Dat doe ik voor de tweede keer, want in 2011 – 9 jaar en 50kg geleden mocht ik dat doen voor Anthony Daniels. Beter gekend als Theodore Dalrymple. Dat is meteen het beste bewijs dat wie ooit een laudatio uitspreekt, de bewuste prijs zelf niet zal krijgen.

Voor deze laudatio voel ik mij goed geplaatst. Niet alleen omdat ’t strand van Sint Anneke veur mij ’t manneke is omdat de eerste mosselen van een nief seizoen mij daar het beste smaken. Maar ook omdat De Strangers in de woorden van mijn voorganger Bob Cools ambassadeurs van onze stad zijn.

Hij zei dat in 1987. Drieëndertig jaar geleden. De Strangers bestonden toen vijfendertig jaar. Laat dat gerust even bezinken. De Strangers bestaan dus achtenzestig jaar. Ik heb het even moeten opzoeken: zij vieren binnen een paar maanden dus hun granieten huwelijk.

Het werk en de erfenis van De Strangers behoren tot de Antwerpse ziel. Ze zijn Antwerps erfgoed. Dat mag u trouwens ook letterlijk nemen. Hun archief ligt namelijk in het Felixpakhuis. De Strangers zitten in ons DNA, net als de Greungplots, den toren van de kathedraal of et Steen. Er is geen Antwerpse trots waar geen strofe van het rijke Strangers-oeuvre aan verbonden is.

Hun muziek weerklinkt in volkscafés. In Den Engel, ’t Oud Arsenaal of de Pelikaan. Op plekken waar zonder onderscheid van rang of stand wordt geleuterd, gezwaanst en gediscuteerd. Waar zowel dokwerker, ambtenaar, advocaat en middenstander die gekende deuntjes herkennen en met wisselend talent meezingen.

Het hoeft geen betoog: De Strangers zijn niet zomaar ambassadeurs van onze stad. Ze zijn een Antwerps monument. Ze zingen voor iedereen, in standaard Antwerps, en maken onbeschaamd populaire muziek. Hun liedjes steken de draak met alle lagen van de samenleving en schetsen speelse karikaturen die iedereen herkent. Van de werkvrouw, den dopper, de arme sukkel die met zijn vrouw naar Benidorm moet, de vakbondsbaas, de politieman, de Chinese restaurantuitbater… De lijst is eindeloos en blijft vandaag even herkenbaar als toen de liedjes uitkwamen – tot veertig, vijftig jaar geleden.

Gisteren nog tijdens de vergadering van het schepencollege toen schepen Marinower vertelde over een Chinees restaurant waar hij ging eten, zich onbewust van het feit dat hij die zaak net had gedagvaard: het leidde tot een spontane samenzang in het college (“als ge bij…”)

De stad van de Strangers is in die periode wel veranderd. Vijftig jaar geleden koekte er nog olie aan de Scheldekaaien, waar het in de zomer niet uit te houden was van de stank. Een vuile waas hing over de snelwegen. De grote huizen van het café chantant, de revue, het cabaret en de conference doofden één voor één uit. De Hippodroom op het Zuid, El Bardo op de Sint-Jacobsmarkt, de Majestic aan de Carnotstraat, de iconische Den Uilenspiegel van de legendarische Jaak De Voght. De plekken waar Bob Benny, Wim Tocquet, Gaston Berghmans, en De Strangers thuis waren, verdwenen. En Antwerpen kromp. De mensen trokken weg. Naar Schilde, Schoten, Brasschaat.

Vandaag ziet de stad er op tal van vlakken anders uit en soms ook wel veel beter. Antwerpen heeft zeker de voorbije jaren een opwaartse trend gekend. De stad is veiliger. De haven boekt record na record. We behoren tot het kruim van Europa om in te investeren. Ons erfgoed wordt met zorg en ijver gerestaureerd in volle glorie – de Handelsbeurs op een boogscheut hier vandaan kan ik warm aanbevelen. En de stad wordt leefbaarder en aangenamer. Kijk naar de nieuwe Scheldekaaien. Kijk naar de Noorderleien. De tunnels gaan binnen enkele weken open. Kijk naar de nieuwe wijken die verrijzen en die de stad van de 21ste eeuw vormgeven.

Maar uiteraard zijn er vandaag ook nog wel grote problemen. Op vlak van talentontginning en samenleven bijvoorbeeld – twee zaken die volgens mij hand in hand gaan. Of op vlak van mobiliteit. Want hoewel de Oosterwerken begonnen zijn, zal het nog enkele jaren pijn doen voor het beter wordt. (cfr. tijdloze song “Kennedytunnel”)

De stad is dus alleszins enorm veranderd. Den Engel en ‘t Oud Arsenaal bestaan nog. Maar ze hebben het gezelschap gekregen van cocktailbars, hippe foodtenten en pop-up-restaurants. Het publiek van de Muze is nog altijd even divers, maar achter de hoek ligt Dogma – de beste cocktailbar van Europa. Wat tijdloos is, blijft bestaan. Maar krijgt gezelschap van nieuwe iconen.

De Strangers behoren zonder twijfel tot die tijdloze monumenten van onze stad. Omdat zij, net als Gaston Berghmans, groot zijn op het podium, maar nog groter als mens. Het woord Strangers tovert een glimlach op het Sinjorengelaat. De Strangers zijn altijd levenslustig, nooit chagrijnig. Recht voor de raap, maar altijd met mededogen en respect. Ze vertolken de Antwerpse volksgeest. Ze mengen spot en zelfspot, scepsis en sarcasme. Vaak op een manier die voor mengse van de parking moeilijk te begrijpen is.

En ze hebben bovendien de kracht om generatie na generatie te bekoren. Het gebruik van eigentijdse hits laat hen toe om mee te schuiven met de tijdsgeest. Van fifties pop tot zwoele Franse chançons.

De Strangers hebben Antwerpen zijn officieus volkslied gegeven waarvan de klanken geen enkele Sinjoor onberoerd laten. De muziek van De Strangers is van élke Antwerpenaar. Ze hebben ook voor iedereen opgetreden. Voor elke burgemeester van deze Scheldestad. Ze stonden op het podium voor blauw, rood en oranje. Voor turnkring en vakbond.
De Strangers ademen Antwerpen.

Beste vrienden, ik kan nog een eind doorgaan in het afsteken van de loftrompet voor De Strangers. Ik kan Oh M’nen Blauwe Geschelpte beginnen zingen. U zou ongetwijfeld mee neuriën. Maar ik zal u mijn zangtalenten besparen.

Want ik sta hier niet alleen omdat De Strangers het hart van de Antwerpse volksaard doen kloppen. Ik sta voor u om hen de Prijs voor de Vrijheid uit te reiken. Een prijs die laureaten toekomt die zich inzetten voor de waarden van de vrije samenleving.

Ik wil Libera! feliciteren met de keuze van de locatie waarin ik dat mag doen. Deze Spiegelzaal is de uitgelezen plek om De Strangers de Prijs voor de Vrijheid te geven. Want hun muziek zet de samenleving een spiegel voor. De Strangers bezingen de actualiteit in zijn goede, maar ook in zijn kwade tijden. Altijd met een humoristische ondertoon en nooit overdreven maatschappijkritisch. Maar wel zonder taboes, en met het hart op de tong.

Ze treden vandaag in de voetsporen van Urbain Servranckx, die laureaat was in 2008. Voetsporen die voor hen herkenbaar zijn. Urbain trad in 2014 op tijdens een N-VA-congres. En mocht het daarna horen. Wat De Strangers begin jaren negentig meemaakten na een optreden, sneed voor hen nog dieper. Dat ze deze Prijs voor de Vrijheid krijgen, is daar onlosmakelijk aan verbonden. Want wie het vrije woord bezingt, betaalt daar vaak een prijs voor. Een in de ogen van de intellectuele goegemeente fout nummer op een fout concert geven, is soms voldoende. Dan maakt het niet uit of je ooit nog mee een benefiet gaf toen een zogenoemde kwaliteitskrant financieel in slechte papieren zat. Of dat je gehuldigd werd door Lode Craeybeckx en zong op CVP-meetings. Nee, op dat moment telt enkel nog de veroordeling. De Strangers waren verbrand.

Over het nummer Ziekekas verscheen overigens al in 1976 een journalistieke reflectie in Gazet Van Antwerpen. Want ook toen al was de boodschap controversieel en vroeg de opiniemaker zich af of het niet racistisch was. De Frut schreef het volgende: “Dat De Strangers het allemaal niet zo bedoelden, hadden zij vroeger met het prachtige nummer over De Gastarbeider al bewezen. Zo kwaadaardig zijn ze dus niet.” De journalist voegde er dan wel fijntjes aan toe: “Maar dat de Marokkanen momenteel niet staan te springen om lid te worden van hun fan-klub, kan niemand hen kwalijk nemen.” In andere artikels, recensies van Strangers-concerten, werd het nummer steevast bij de toppers gezet.

De spiegel van de samenleving is vaak ongemakkelijk. Zeker voor wie zichzelf erin herkent. De Strangers hebben op dat vlak nooit een blad voor de mond gehouden. Daardoor blijven ze ook tijdloos. En confronterend. Ik denk aan De Gastarbeider, waar een ingeweken Algerijn zingt:
Ik werk hier in e stinkfabriek
Wor da’k justekes nog ni stik
Mor ik verdien ne schone cent
Ik geef e vijfde van m’n pree
On e vochtig kruipkot mè W.C.

Als burgemeester kan ik u verzekeren dat ik de verhalen van kruipkoten waar nieuwkomers woekerprijzen aan huisjesmelkers voor betalen, maar al te goed ken. Vandaag kan dat nummer heruitgebracht worden, geactualiseerd onder de titel “Den asielzoeker”.

En wat te denken van Vivan de Vakbond, een nummer dat het ongetwijfeld goed deed op de syndicale feestjes die De Strangers opleukten:
Deur m’n ellebogen en m’ne mond
Zennek naa den baas van den bond
Mè drij otto’s en e jacht
En ’n huis of zeven-acht
En nog hier en daar e lappeke grond

Ik weet niet wat u denkt, maar ik zou niét weten over welke vakbondsbonzen dat zou kunnen gaan.

Beste vrienden, politieke correctheid en De Strangers gaan niet samen. Hun kritische humor stelt alles en iedereen in vraag. De nieuwkomer die in de miserie belandt in Gastarbeider, verandert in een profiteur in de Ziekekas. Maar is hij een profiteur, of legt hij de fouten in het systeem bloot?

In Den Dopper, een nummer uit 1978, staat een jongeman met tien diploms oep zak in de rij om te stempelen. Een aanklacht in volle economische crisis, in een periode waarin het aantal werklozen op een paar jaren tijd meer dan vervijfvoudigde.

Een aanklacht, niet tegen werklozen, maar tegen zij die de oplossingen moesten zoeken. Want degenen die het meest gebeten worden door Strangers-liedjes, zijn de machthebbers.

Je zou De Strangers dan ook met het grootste respect hedendaagse narren kunnen noemen. De traditie van de nar gaat terug tot de klassieke oudheid. De nar bewandelt een dunne koord of touw. Hij drijft namelijk de spot met zij die de touwtjes in handen hebben, ook zijn eigen touw. Dat is steeds riskant.

De voornaamste vijand van de hedendaagse nar is echter geen vorst meer die zich in de grappen verslikt. De grootste vijand van de kritische komiek is vandaag de zelfverklaarde culturele elite die zich in een permanente staat van verontwaardiging bevindt.

Beste vrienden, Ludwig von Mises, in dit notoire gezelschap vast goed bekend, vatte uitstekend samen wat het betekent om in een vrije samenleving te leven. Hij schreef: “A free man must be able to endure it when his fellow men act and live otherwise than he considers proper. He must free himself from the habit, just as soon as something does not please him, of calling for the police.”

Een raad die iets vaker ter harte zou genomen mogen worden. Het is één van de grote paradoxen van deze tijd. Overal wordt tolerantie gepreekt. Het omarmen van anders-zijn, de aandacht voor de uniciteit van ieder persoon, is nog nooit in de geschiedenis zo algemeen bepleit. Maar tegelijkertijd smelt de tolerantiegraad weg in de leidende publieke fora, de kranten en opiniepagina’s, voor wat iemand voor de borst kan stoten of wat met iemand de spot drijft.

Tenminste, als men buiten de grenzen van de politieke correctheid treedt. Want het eigene of wat de culturele elite “fout” vindt, mag wél ongebreideld op de korrel worden genomen. Hoongelach is het deel van degene die daarover weerwerk zou durven bieden.

Opiniemakers zijn vaak grootmeesters in selectieve verontwaardiging. Intentieprocessen zijn stilaan het vaste stramien van edito’s in zelfverklaarde kwaliteitskranten.

Een bijzondere evolutie die zich aan de overkant van de Atlantische oceaan scherp aftekent en zorgwekkend dichterbij komt, is die van het weren van zogeheten foute sprekers op campussen. In een land waar zwarte activisten in de jaren zestig nog een spreekverbod in universiteiten kregen, werd in 2014 de voormalige minister van Buitenlandse Zaken en afro-Amerikaanse Condoleezza Rice door protest gedwongen af te zeggen als spreker aan de toonaangevende Rutgers University. Een geschiedenisprofessor was actie beginnen voeren tegen het uitreiken van een eretitel aan Rice en haalde na sit-ins en protestacties onder het motto ‘Say no to Condo’ zijn gelijk. Rice was nu eenmaal te rechts. Van activisme om zwarten spreekrecht te geven tot een actie om een zwarte spreker met foute ideeën te doen zwijgen.

Zulke toestanden leveren naast discussies over de vrije meningsuiting vooral één duidelijke winnaar op: de extremen in onze samenleving. Want waar het vrije woord onder druk staat, groeien enkel de rangen van de verontwaardigden enerzijds en van degenen op wie ze boos zijn anderzijds. Die laatsten wellicht nog het meest.

Er is geen sector die door de zogeheten snowflake-generatie, en ik ben me er van bewust dat de term snowflake controversieel is, die door hun overgevoeligheid en verontwaardiging zo getroffen wordt, als de moderne narren: de cabaretiers, hekeldichters en spotliedschrijvers. Naast politici, zou ik durven toevoegen, maar u weet beter dan wie ook dat die sowieso geen enkel medelijden verdienden.

Beste Alex, Bob, John, Nest, het is met trots dat ik jullie daarom de Prijs voor de Vrijheid overhandig. Als symbool van jullie ongedwongen spreken. Zonder nodeloos te schofferen. Zonder wrange ondertoon. Maar altijd met Antwerpse zwans.

Als burgemeester van de koekenstad zeg ik u dank voor uw levenslange bijdrage tot de Antwerpse identiteit en eigenheid. U bent eruit voortgekomen, u hebt ze gedragen en uw eigen vorm gegeven en u hebt ze overgedragen aan talloze sinjoren die zoals ikzelf uw muziek in het hoofd horen als de soundtrack van hun leven en hun geliefde stad.

Ik dank u.

[begin]