06 feb 2020

Tafelgesprek met Ive Marx

0 Reacties

Toen Marc De Vos in maart 2019 de Pijs voor de Vrijheid kreeg, maakte huiscartoonist Lectrr een mooi werkstuk met als titel “Migratie is zoals cholesterol: je hebt er goede en slechte”. Het gaf de nuance en de eruditie weer waarmee Marc De Vos steeds hete hangijzers benadert.

Hetzelfde kan gezegd worden van de hoogstaande lezing van woensdag 5 februari door professor Ive Marx, directeur van het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck van de Universiteit Antwerpen. Zijn uitgangspunt was de vraag of ongelijkheid per se slecht is en of we in België misschien net behoefte hebben aan meer ongelijkheid.

Meten is weten en dus kregen de aanwezigen eerst een overzicht van de sociale indicatoren van de EU-lidstaten en onder meer ook de VS en Australië. Daarbij werden meteen een aantal pertinente vaststellingen duidelijk: België was na de crisis van 2008 de grote uitzondering in Europa en de wereld. In tegenstelling tot pakweg Nederland en Duitsland (in zekere mate) en de zuidelijke landen als Spanje en (in grotere mate) en Griekenland (in extreme mate) was er geen sprake van sociale afbraak. De zo vaak geroemde sociale en economische stabilisatoren (werkloosheidssysteem, de sociale zekerheid,…) hadden hun werk gedaan.

Zelfs in die mate dat onze vakbonden na het aantreden van de regering Michel de luxe hadden om te betogen en te staken voor zaken die in de eerder genoemde landen niet eens tot rimpels op het water hadden geleid omdat men ze als vanzelfsprekend vond.

België is dus een uitzondering, onder meer op vlak van de syndicalisatiegraad van de werknemers. Zo hadden België en Duitsland ooit zowat dezelfde mate van vakbondstrouw, maar anno 2020 zit België nog steeds op 85 tot 90% terwijl dat in Duitsland nog amper 50% is.

Dat statuut van “grote sociale uitzondering” heeft wel een paar nadelen.

Zo zijn we in België kampioen inzake het aantal mensen die leven van een uitkering. En vooral: op vlak van armoede in het algemeen en kinderarmoede in het bijzonder zijn de Belgische prestaties echt beschamend. Een welvaartsstaat onwaardig. En dit is nog zonder rekening te houden met de grote uitdaging van de vergrijzing!

Uiteraard pleit niemand ervoor om het kind met het badwater weg te gooien maar ferme ingrepen dringen zich wel op. Omdat het aantal uitkeringstrekkers zo hoog ligt, liggen de uitkeringen laag. En beschermen ze dus niet tegen armoede. Dat wordt nogal vaak vergeten in de euforie van “wij zijn goed bezig en een sociale uitzondering”.

Dit betekent overigens niet dat Ive Marx enkel de vakbonden de vinger wijst. Ook de werkgevers hebben boter op het hoofd. Bijvoorbeeld als het gaat over langdurig zieken.

Ive Marx maakt graag de vergelijking met Nederland. Een land dat in de jaren ’80 in dezelfde socio-economische malaise zat als België. Daar is verandering in gekomen door het befaamde Akkoord van Wassenaar, afgesloten tussen werkgevers en werknemers. Met bij die laatsten Wim Kok als grote roerganger. Wie vandaag de statistieken vergelijkt, kan niet anders dan besluiten dat die toenadering heeft gewerkt. In Nederland werken meer mensen en vooral meer laaggeschoolde mensen. Dankzij de “pensée unique” die ontstond door het Akkoord van Wassenaar.

Nederland is ongelijker dan België, dat staat vast. Maar Nederland scoort ook pakken beter op vlak van armoedebestrijding. Dat is een paradox waar we niet naast kunnen kijken. Om het samen te vatten: “In Nederland is er een herverdeling tussen de mensen die werken, in België is er een herverdeling tussen wie werkt en wie niet werkt”. En tot spijt van wie het benijdt: de statistieken en de feiten tonen aan dat een job de beste bescherming is tegen armoede. En Nederland scoort zo goed omdat het dankzij de juiste maatregelen onder meer deeltijds werken en een uitkering laat combineren.

Niet alles in Nederland is perfect. Maar dankzij de Marx van de UA weten we nu welke mosterd we bij gidsland Nederland kunnen halen.

[begin]