27 apr 2019

Artikel: De voorgeschiedenis van Brexit

0 Reacties

Pieter_CleppeKroniek van een aangekondigd afscheid.

(Artikel door Pieter Cleppe, lid van Libera! en directeur van de denktank Open Europe in Brussel, zoals oorspronkelijk gepubliceerd op Doorbraak op 27 april 2019.)

In 1988 bezocht de Britse Premier Margaret Thatcher Brugge, ooit een knooppunt van handel tussen Engeland en het Europese vasteland. Ze gaf er een toespraak voor het Europacollege, waar vele Europese topambtenaren over de jaren heen hun opleiding genoten.

In die toespraak, die in het Verenigd Koninkrijk erg bekend is, uitte ze de waarschuwing: ‘We hebben de overheid in Groot-Brittannië niet succesvol begrensd om ze dan maar weer opnieuw te zien herrijzen op het Europese niveau, met een Europese superstaat die vanuit Brussel dominantie verkrijgt.’

Het Verdrag van Rome prees ze daarbij als ‘een handvest voor economische vrijheid’, waar ze er echter aan toevoegde: ‘al is dat niet hoe het altijd werd gelezen, laat staan toegepast’. Nochtans, zei ze, ‘leren de jaren 70 en 80 in Europa dat centrale planning en gedetailleerde controle niet werken, in tegenstelling tot persoonlijke ijver en initiatief.’

eze Britse waarschuwing werd echter genegeerd. Toenmalig Europees Commissievoorzitter Jacques Delors ging gewoon verder met zijn inspanningen om een gemeenschappelijke munt te creëren. Dit project zou één van de eerste cruciale stappen worden in de Britse desillusie met het Europese project, dus het verdient wat meer aandacht.

Euro

De creatie van de euro was voornamelijk het gevolg van Franse frustratie over de suprematie van de Duitse Bundesbank, die een hardemuntbeleid voerde, geïnspireerd op het Duits trauma over de hyperinflatie die het land teisterde eerder vorige eeuw.

Gedurende de jaren 80 koppelden Frankrijk, België en andere Europese landen hun munt aan de stabiele Duitse Mark, om zo een duurzaam economisch herstelbeleid te kunnen voeren. Als gevolg daarvan moesten ze ook de relatief harde lijn van de Bundesbank volgen.

Het Franse establishment, waartoe toekomstig ECB-voorzitter Jean-Claude Trichet behoorde als topambtenaar op Financiën, moest daarbij onmachtig toekijken hoe dit de ruimte sterk beperkte voor monetaire financiering van de overheid en kunstmatig oppompen van de economische groei. Met dank aan die harde Deutschmark konden spaarders en investeerders echter genieten van een stabiel alternatief voor de Franse of Belgische nationale munten, die om de haverklap door politieke inmenging werden gemanipuleerd.

Volgens het Frans strategisch denken toen moest er een gemeenschappelijke Europese munt komen, net om de Duitse monetaire hegemonie te breken. Waarnemers vandaag zullen moeten concluderen dat deze strategie mislukt is. Voor elke grote beslissing binnen de eurozone is Duitsland immers dominant, net omdat de muntunie gestoeld is op de Duitse kredietwaardigheid. Wel hadden de Fransen het toen bij het juiste eind dat het makkelijker zou worden om een goedkoop geldbeleid te voeren. Ten koste dan wel van spaarders en ten voordele van bepaalde grote exporteurs – op korte termijn dan, aangezien die laatsten door de monetaire doping minder stimulansen krijgen om op kwaliteit te concurreren. In de eerste plaats was het goedkoop geldbeleid uiteraard in het vooral van armlastige onder de schulden bedolven regeringen die weigerden te besparen.

Duitse eenmaking

Om de Duitsers zo ver te krijgen de Deutschmark op te geven, was Frankrijk zelfs bereid zoiets gevoeligs als de Duitse eenmaking te gebruiken. Een aantal jaren geleden onthulde het Duitse weekblad Der Spiegel geheime documenten die aantoonden dat Frankrijk had gedreigd met een veto tegen de Duitse hereniging indien de euro er niet kwam.

Hubert Védrine, de toenmalige adviseur van de Franse President François Mitterrand, heeft toegegeven dat deze ‘geen hereniging wilde zonder vooruitgang op vlak van Europese integratie en de aanvaarding van de euro’. Ook Karl Otto Pöhl, toenmalig voorzitter van de Bundesbank, bevestigde het verhaal.

Ironisch genoeg was Margaret Thatcher zelf toen eveneens een tegenstander van Duitse hereniging. Dat was wellicht een strategische fout, aangezien het Frankrijk zo meer diplomatieke macht over Duitsland gaf om voorwaarden aan de hereniging te koppelen.

Een sterkere Brits-Duitse samenwerking had het Europese project wellicht meer in de juiste richting kunnen duwen, wars van het Frans protectionistisch dirigisme. Frankrijk was zich daar maar al te sterk van bewust. Volgens sommigen hield Frankrijk de Britse toetrede tot de Europese Economische Gemeenschap in de jaren 60 tegen om meer toegevingen van Duitsland te kunnen verkrijgen op vlak van het Europees gemeenschappelijk landbouwbeleid, dat zou ontaarden in een orgie van miljardenverspillingen, regelneverij en protectionisme.

De voorloper van de euro, het zogenaamde ‘Europees Wisselkoersmechanisme’, kwam in september 1992 in woelig vaarwater terecht. Investeerders zoals George Soros begrepen dat Duitsland geen inflatie zou aanvaarden enkel en alleen ter wille van een zoveelste groots opzet Europees project. De Britse, Zweedse, Finse, Italiaanse en Spaanse munten moesten het wisselkoersmechanisme verlaten nadat de druk van de markten te groot werd. Die belangrijke waarschuwing over de haalbaarheid van de eenheidsmunt werd straal genegeerd en in 1999 kwam de euro er toch.

Maastricht

In februari 1992 werd het Verdrag van Maastricht getekend, dat de juridische basis voor de euro voorzag. Gedurende de onderhandelingen had het VK een ‘opt-out’ onderhandeld. Dit was de eerste grote Britse deviatie van het Europees project.

In datzelfde jaar verwierp een meerderheid van de Denen het Verdrag van Maastricht, wat hen eveneens een ‘opt-out’ opleverde. In Frankrijk zelf stemde slechts 51,1% van de bevolking voor het verdrag.

Heel wat prominente economen, vaak van Angelsaksische huize, hebben gewaarschuwd voor het crëeren van een eenheidsmunt. Ironisch genoeg was het de Europese Commissie zelf die een mooi overzicht van al die waarschuwingen voorbereidde, en wel in 2009, net voor het uitbreken van de eurocrisis, met als bedoeling om met hen te spotten. In de jaren 1990 wilden Delors en de zijnen echter niet luisteren. Het project moest en zou er komen.

Madrid

De beslissing om de eenheidsmunt effectief vorm te geven werd uiteindelijk genomenop de Europese top van Madrid in december 1995. Nieuwbakken Frans president Jacques Chirac, toen een ‘soevereinistische gaullist’, was heel wat minder enthousiast over het idee dan Mitterand en probeerde het alsnog te torpederen, door voor te stellen dat er nationale referenda over zouden moeten komen. De Spaanse premier Felipe Gonzalez, die de vergadering voorzat, slaagde er echter om dit te verhinderen.

De Duitse Kanselier Helmut Kohl was toen immers een groot voorstander van de euro geworden. Toen Duitse topambtenaren hem in de jaren na 1995 meermaals waarschuwden dat Italië een ‘speciaal risico’ vormde voor de eenheidsmunt, negeerde hij hen. Volgens Joachim Bitterlich, toenmalig adviseur van Kohl, washet ‘politiek motto’ toen ‘niet zonder de Italianen’. Het waren cruciale jaren die vormgaven aan een project waarbij niet enkel de Britten niet langer zouden meedoen, maar waarbij ook alle andere grotere Europese landen wel zouden meedoen.

Los van de politieke druk om de euro in te voeren, was er ook de onderliggende dynamiek van de rente op overheidsleningen. Na de beslissing om de eenheidsmunt in te voeren in december 1995, rekenden de markten er terecht op dat het nu minder risicovol was om te gaan lenen aan landen met hoge schulden. Binnen enkele jaren zouden zij immers genieten van de paraplu van de Europese Centrale Bank, die heel wat meer slagkracht zou hebben dan nationale centrale banken om overheden te financieren, ook al zou het juridisch zogezegd worden verboden. Landen als Italië, België, Portugalen Spanjezagen hun rentelasten dan ook consistent dalen na de top van Madrid.

Brits euroscepticisme

Het eerste Britse schisma van het Europees project was dus een gevolg van de Duitse toegeving aan Frankrijk om de D-Mark op te geven, in combinatie met de nood van verschillende Europese landen aan extra monetaire financiering voor hun financieel in zwaar weer verkerende welvaartsstaten.

In Groot-Brittannië zelf waren ondertussen de sociaaldemocraten van Labour aan de macht gekomen. Eerste minister Tony Blair was voorstander van euro-invoering, net zoals de grootste ondernemingsfederatie, CBI. Mede als gevolg van een campagne door ‘Business for Sterling’, een groep prominente ondernemers geleid door wijlen Open Europe-voorzitter Rodney Leach, veranderde CBI van mening en besliste de Britse regering om de euro toch niet in te voeren. Als één van de meest invloedrijke figuren binnen de City of Londen, het grootste financiële centrum ter wereld, begreep Leach de fundamentele gevaren van het opgeven van de eigen munt, en waarom dit immens verschilde van een koppeling van de munt. Dankzij de steun van het bedrijfsleven kon minister van Financiën Gordon Brown Tony Blair op dit punt overtroeven in 2003.

Europese Grondwet

Indien het VK ook de euro had ingevoerd, zou brexit nog zoveel complexer en nodeloos pijnlijker zijn geworden. Bovendien is het maar zeer de vraag of met het VK er bij de eurozone – en daarmee ook de EU – de financiële crisis van 2008 wel had overleefd. Of hoe Brits euroscepticisme zowaar de redding van de EU kan hebben betekend.

In elk geval besliste de Labour-regering van Tony Blair wel om opeenvolgende Europese Verdragen mee goed te keuren. De Verdragen van Amsterdam, Nice en Lissabon hielden telkens opnieuw transfers van macht en geld naar het centraal EU-niveau in, door het schrappen van nationale veto’s dan wel het creëren van alweer meer supranationale EU-bureaucratie, zoals EU-agentschappen, een ‘Ministerie van Buitenlandse Zaken’ of een permanent voorzitterschap van de Europese Raad.

Referendawaarbijde bevolking zich uitsprak tegen deze verdragen konden dit niet stoppen. De Ieren moesten zowel over het Verdrag van Nice als over het Verdrag van Lissabon twee keer stemmen, nadat ze de eerste keer tegenstemden. De Fransen en de Nederlanders verwierpen de ‘Europese Grondwet’, die dan maar werd overgenomen in het Verdrag van Lissabon. Dat die laatste ‘identiek qua inhoud’ aan de Grondwet was werd openlijk bevestigd door voormalig Frans president Valéry Giscard d’Estaing, die de ‘Europese Conventie’ voorzat die de Europese Grondwet uitwerkte.

Deze uitspraak werd Giscard niet in dank afgenomen door de Franse en Nederlandse regeringen. Zij deden immers net de grootste moeite om te argumenteren dat er een verschil was tussen beide documenten en dat er daarom geen tweede referendum nodig was. Ook in het VK was dit echter een belangrijke zaak. Tony Blair had immers een referendum over de Europese Grondwet in het vooruitzicht gesteld en de Britse eurosceptici waren al hoopvol aan het uitkijken naar hoe een Brits ‘nee’ hiertegen misschien wel een Brits uittreden uit de EU zou veroorzaken.

De Britse regering vermeed dan ook een referendum over het Verdrag van Lissabon, waar ze liefst zo weinig mogelijk aandacht aan gaf. Gordon Brown, die Blair was opgevolgd als premier, kwam zelfs met een excuus op de proppen om niet aanwezig te hoeven zijn op de ondertekeningsceremonie van dat verdrag in december 2007.

Op het einde van 2009 was het Verdrag van Lissabon nog steeds niet in voege, en wel omdat de Tsjechische president Vaclav Klaus weigerde om zijn handtekening te zetten. Klaus werd door toenmalig Brits oppositieleider David Cameron toen openlijk aangeschreven met de vraag om zijn verzet vol te houden tot mei 2010, wanneer Cameron aan de macht hoopte te komen. Hij beloofde dat als dat gebeurde, hij de Britse ratificatie van het Verdrag terug ongedaan zou maken. Ook dat zou een discussie over een Britse exit hebben veroorzaakt. Het mocht echter niet baten. Klaus bezweek onder de immense druk en tekende.

David Cameron

In de jaren nadien zouden de financiële crisis, de eurocrisis en de chaotische aanpak van de migratiecrisis het eurosceptisch sentiment enkel maar versterken, zowel in het VK als op het vasteland.

Uitslagen van referenda over EU thema’s gingen in tegen de voorkeur van Brussel in Denemarken, Griekenland, Nederland en Hongarije.

De Britse eurosceptici kregen eindelijk hun langverwacht referendumtoen Cameron in januari 2013 aankondigde er één te zullen houden, al zou hij eerst proberen de EU te hervormen. De rest is geschiedenis.

Het is legitiem om tegen directe democratie te zijn, zoals lange tijd Margaret Thatcher zelf, of de Nederlandse staatsman Frits Bolkestein.

Critici van Cameron die vinden dat zo’n belangrijke beslissing niet via referendum moet gebeuren, moeten echter het volgende begrijpen. Zonder Camerons referendum-belofte was het goed mogelijk dat brexit eenvoudigweg het officiële standpunt van de Conservatieve Partij was geworden.

Velen in het VK hadden eenvoudigweg genoeg van de steeds grotere concentratie van macht en financiën op EU-niveau en Cameron volgde enkel wat zijn kiezers dachten, vanuit een basisdemocratische reflex.

Op dezelfde manier was hij er in geslaagd om leider van de Conservatieven te worden door te beloven zijn partij terug te trekken uit de Europese Volkspartij van Duits kanselier Angela Merkel & co, die gezien werd als een broeihaard van eurofederalisme.

Cameron had wel ambitieuzer moeten zijn in zijn pogingen om de EU te hervormen. Zoals voormalig Open Europe-directeur Mats Persson, een Zweed die optrad als adviseur van Cameron gedurende de gefaalde heronderhandeling van Brits EU-lidmaatschap schreef: ‘We vroegen te weinig. Cameron’s briljante Bloomberg toespraak in 2013 zette in op grootscheepse hervorming van de EU, maar dit verwaterde gaandeweg tot een minder ambitieuze heronderhandelingspoging. Zelfs sommige Europese leiders waren meer ambitieus. Een diplomaat vertelde ons: ‘In Europa vragen we 10 zaken om er 6 te krijgen. Jullie vragen er 4 om er 4 te krijgen. Waarom?’

Merkel & co

Ook de staats- en regeringsleiders van de andere 27 EU lidstaten verdienen kritiek. Van in het begin sloot Merkel verdragswijziging uit. Dit maakte grote hervormingen van de EU onmogelijk. Ze liet het initiatief ook grotendeels aan de Europese Commissie, die vijandig staat ten opzichte van elke poging om haar macht te beperken.

Landen die veel handel drijven met Groot-Brittannië, zoals België (Vlaanderen) en Nederland, maar nu wel terecht vrezen voor de gevolgen van een ‘no deal’-brexit, staken nauwelijks een vinger uit om Cameron te helpen. De grootste inspanning kwam van de Centraal- en Oost-Europese lidstaten, die toelietendat er enkele bescheiden beperkingen zouden komen op sociale voordelen voor EU-migranten.

Belangrijk om niet te vergeten is ook de beslissing in 2014 om Jean-Claude Juncker, een uitgesproken EU-federalist, te benoemen tot Europees Commissievoorzitter en daarbij zowel het VK als Hongarije in de minderheid te stemmen, wat ongezien was. Juncker kwam wel op de proppen met een programma voor ‘betere regelgeving’, ook terwille van de Britten, maar verklaarde meteen dat hij een ‘politieke’ Commissie zou gaan leiden, iets wat ingaat tegen het Brits idee dat de Commissie een administratieve instelling moet zijn die als objectieve scheidsrechter de hinderpalen binnen de interne markt moet schrappen. Onlangs vaarde ook de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken uit tegen het idee van een ‘politieke’ Commissie, maar nu is het uiteraard wel wat laat om Juncker te verhinderen allerlei wilde uitspraken te doen die het Britse euroscepticisme aanwakkeren, zoals zijn pleidooi voor een ‘Europees leger’.

Sinds de Britten in juni 2016 er voor kozen om de EU te verlaten, werden op het Europese vasteland heel wat krokodillentranen geplengd over brexit, maar velen in Brussel realiseren zich beter dat ook zij verantwoordelijk zijn voor het aan de gang zijnde scheidingsproces, waarbij de Europese Unie een lidstaat verliest die economisch gezien even groot is als de 19 kleinste lidstaten.

[begin]