23 jan 2019

Rondetafel onderwijs met Dirk Van Damme

0 Reacties

Dinsdagavond 22 januari was Jardin Public onder een hagelwitte sneeuwlaag het prachtige winterse decor om Dirk Van Damme ter verwelkomen. Van Damme, de onderwijsexpert van de OESO, kwam een toelichting geven over de staat van het onderwijs in Vlaanderen in internationaal perspectief. De kranten- en opinieartikelen over onderwijs zullen door de aanwezigen nooit meer met dezelfde blik gelezen worden na deze avond.

Goed onderwijs dient als hefboom tot sociale mobiliteit waardoor onze samenleving enkel beter kan worden. Immers, goed onderwijs leidt tot een gezonde welvaart. Om goed onderwijs te ondersteunen is er nood aan evidenced based gegevens. Deze worden verzameld door de OESO op internationale schaal. Dat de resultaten hiervan een incentive betekenen voor de deelnemende landen blijkt duidelijk uit het feit dat internationale bedrijven in hun investeringsbeslissingen rekening houden met de kwaliteit en aard van het onderwijs als een criteria.

Vlaanderen doet het over het algemeen aardig in de statistieken. Zo investeert Vlaanderen 6% van hun BRP in het onderwijs. Dit is boven het OESO-gemiddelde. Desondanks blijft het lager onderwijs ondergefinancieerd en het secundair onderwijs overgefinancieerd.

Over de kwaliteit van ons onderwijs zijn weliswaar enkele sterke bedenkingen te formuleren. Zo daalt systematisch in het basisonderwijs bijvoorbeeld de competentie van het begrijpend lezen en dit het sterkst van alle ontwikkelende landen. Voor het secundair onderwijs wordt de kwaliteit gemeten op basis van lezen, wiskunde en wetenschap. Deze drie dalen eveneens systematisch doorheen de jaren in de metingen. Voor wiskunde stelt men zelfs vast dat ook excellente leerlingen dalen maar dus niet ten gunste van de zwakste leerlingen.

Tussen de scholen bestaan er duidelijk grote schoolverschillen. Zo is de kwalititeitsbagage van de uitstroom sterk afhankelijk van de schoolkeuze in het secundair onderwijs. Men stelt daarbij vast dat laaggeschoolden (zonder secundair diploma) hun weg vinden naar de arbeidsmarkt terwijl diegene met een secundair diploma (zonder hoger onderwijs) door de digitalisering en fenomeen van sqeezing out the middle class tegenwoordig de meest kwetsbare groep vormen.

Ondanks de onderfinanciering levert ons hoger onderwijs goed resultaten. Dit dankzij een goed selectiemechanisme waardoor een goede uitstroom ontstaat, de hoogste van alle OESO landen.

De verhouding tussen presteren en welbevinden lijkt doorgeslagen. Respondenten van 15 jaar geven aan dat presteren voor goede resultaten en carrièremogelijkheden ondergeschikt zijn. Men stelt een tendens vast waarbij teveel nadruk wordt gelegd op het welbevinden van de leerlingen. Een evaluatie op basis van smileys is misschien toch niet de juiste methode. Goede objectieve, realistische feedback geven is de kern en dus essentieel in het pedagogisch proces.

De rol van de sociale achtergrond bleef niet onbesproken. Talent is nu eenmaal niet gelijk verdeeld in de samenleving. Recent wetenschappelijk onderzoek stuurt tegenwoordig de tendens meer in de richting van bio-sociale factoren, erfelijkheid, voeding,… Van Damme nuanceert evenwel het belang van sociale achtergrond maar miskent de invloed ervan zeker niet. Dat sociale achtergrond van belang is, blijkt bijvoorbeeld uit volgende cijfers: 58% van leerlingen in het ASO hebben ouders met een diploma hoger onderwijs, in tegenstelling tot TSO/BSO waar slechts 20% van hun ouders hoger geschoold zijn. Daarentegen zijn er heel wat resilience-leerlingen. Ondanks hun lage afkomst stoten zij toch door binnen het onderwijs. Dit geeft duidelijk aan dat het onderwijs veel in zijn mars heeft, ook al zijn verschillen soms terug te brengen tot de sociale achtergrond.

Men zal erover moeten waken dat gelijke kansen in het onderwijs niet mag leiden tot een nivellering in de kwaliteit naar beneden. De trade-off tussen kwaliteit en gelijke kansen mag niet doorslaan. Zo bemerkt men dat werkgevers diploma’s niet meer beschouwen als zaligmakend. Ze organiseren zelf assessments. Het testen van personen verschuift op die manier naar de bedrijven door de daling in het vertrouwen van de afgeleverde diploma’s. Een centraal examen -zoals in Frankrijk- zou volgens Van Damme hieraan een antwoord kunnen bieden.

De vrije schoolkeuze staat reeds lang vergrendeld in onze grondwet en was voor die tijd een vooruitstrevend idee. Ze kent verschillende voordelen: competitie tussen scholen en dus kwaliteitsbevorderend; diversiteit tussen scholen en dus vermijden van eenheidsworst; respect voor de keuze van de ouders. Daartegenover zijn er de bekende nadelen: minder sociale cohesie en dus toenemende sociale en culturele segragatie; de schoolkeuze staat niet gelijk aan een kwaliteitskeuze: de keuze wordt vaak beïnvloed door een referentiegroep, ruimtelijke segregatie (vb. Huwelijkssegregatie). Het behoud van de vrije schoolkeuze is sterk afhankelijk van het behoud van een goede kwaliteitszorg. Toch blijft de keuze voor een school door de ouders sterk gedetermineerd door: schoolklimaat, veiligheid, het aanbod curriculum. Veel minder spelen religie, afstand en prestatie van de school een rol.

Ter conclusie kan men stellen dat Vlaanderen dringend haar beleid rond onderwijs dient bij te stellen. Vooral om de zwakke punten niet te laten escaleren en de sterke punten te ondermijnen. Goed onderwijs is van essentieel belang voor de toekomst van onze kinderen. Men dient zich hierbij de bedenking te maken hoeveel verschil in kwaliteit een samenleving aankan vooraleer er problemen van komen.

[begin]