11 dec 2018

Artikel: Opstand tegen de Transnationale

0 Reacties

Boudewijn BouckaertIn haar commentaar in “De Zevende Dag” op de val van de regering-Michel zei Gwendolyn Rutten iets interessants.

(Dit artikel van Libera!-voorzitter Boudewijn Bouckaert verscheen op Doorbraak.)

Niets is immers onmogelijk in dit politiek hanengevecht. Tussen N-VA en Open VLD was er, aldus Rutten, niettegenstaande talrijke convergenties op sociaaleconomisch vlak, een fundamenteel spagaat ontstaan qua visie op de internationale samenwerking. N-VA wil alles op nationaal vlak regelen. Open VLD kiest voor de internationale samenwerking en steunt dus voluit het VN-Migratiepact.

Het spagaat tussen N-VA en Open VLD situeert zich wel degelijk in dat domein, maar de manier waarop Rutten het voorstelt klopt niet. Het gaat immers niet over al dan niet internationale samenwerking. Het gaat hem over de vraag in hoeverre de transnationale besluitvorming en het transnationale recht de nationaaldemocratische besluitvorming en het nationale recht moet domineren.

Niettegenstaande hun steun aan nationale bevrijdingsbewegingen, ontpopten de 19° eeuwse liberalen zich ook als ware internationalisten. Zij waren de motor achter talrijke vrijhandelsverdragen, die volgens hen ook de neiging tot oorlog zou verminderen (‘le doux commerce’). Dit internationalisme kreeg vorm in handelsverdragen tussen naties. Rond deze handelsverdragen ontsponnen zich echter op het nationaaldemocratisch platform steeds heftige debatten. Het beroemde Cobden-Chevalier-verdrag van 1861 tussen Frankrijk en Engeland bijvoorbeeld, waarbij de tarieven voor Engelse, vooral industriële producten, en voor Franse, vooral landbouwproducten, stevig werden ingekort, leidde tot heftige debatten tussen de liberale ‘free traders’ zoals Cobden en Gladstone en conservatieve protectionisten zoals Lord Salisbury. In Frankrijk daarentegen kon keizer Napoleon III het verdrag goedkeuren zonder de instemming van het Corps Législatif, want zo stelde hij aan Cobden: ‘En France il n’y a pas de réformes, seulement des révolutions’. Dat laatste klinkt nog steeds zeer actueel. De handelsverdragen die de liberalen bewerkstelligden waren niet steeds zuiver bilateraal. Dikwijls werd er een clausule opgenomen van meest-begunstigde natie, waarbij derde landen zich bij het verdrag konden aansluiten en van dezelfde tariefverlagingen konden genieten. Zo ontstond op het einde van de 19° eeuw een netwerk van verdragen die van Europa een vrijhandelszone maakten en zorgden voor een spectaculaire toename van de volkswelvaart. Deze verdragen werden echter steeds grondig bediscussieerd in de nationale parlementen. Zij waren, in tegenstelling met de huidige verdragen, ook minder ingewikkeld en dus leesbaar voor de meeste parlementsleden.

Liberalen hebben zich niet allen ingezet voor handelsverdragen, maar ook voor verdragen die een platform creëerden waarop een dreigend conflict tussen staten kon ontmijnd worden. Een voorbeeld hiervan is het Permanent Hof van Arbitrage van Den Haag, opgericht in 1899 en zetelend in het door Andrew Carnegie gesponsorde vredespaleis in Den Haag. Jammer genoeg waren deze platformen in 1914 nog niet genoeg uitgebouwd om de Eerste Wereldoorlog te voorkomen. Mocht dit zo geweest zijn, dan hadden de ‘Sleepwalkers’ die ons naar deze ramp hebben gevoerd, elkaar misschien wakker gemaakt in de gesprekken, die door deze platformen werden gefaciliteerd.

Na WO II doet zich echter op boven-nationaal vlak een belangrijke verschuiving voor. Het internationale wordt geleidelijk verdrongen door het transnationale. Zoals het woord etymologisch aangeeft, slaat ‘inter-nationaal’ op een verhouding tussen naties. Men kan dus opkomen voor de autonomie van de eigen natie maar tegelijkertijd ijveren voor de uitbouw van stevige internationale relaties. Zolang de autonomie op nationaaldemocratisch vlak niet onherroepelijk wordt ingekort hoeft er tussen nationalisme en ‘inter-nationalisme’ geen tegenstelling te bestaan.

Na WO II ontwikkelen zich echter in snel tempo allerlei internationale organisaties met autonome besluitvorming, die in verschillende mate een inkorting inhouden van de nationale soevereiniteit. Het meest verregaande geval is uiteraard de Europese Unie. De lidstaten hebben voor een aantal bevoegdheden (bv. mededingingsbeleid, interne markt, landbouwbeleid) een stuk soevereiniteit afgegeven aan de EU en met die afgestane soevereiniteit treedt de EU nu op als autonome wetgever die aan de lopende band rechtsregelen produceert (verordeningen, richtlijnen, beschikkingen), die primeren op het nationale recht van de lidstaten. Bij de Verenigde Naties is dit transnationale karakter minder verregaand. Alleen bij een unanieme beslissing van de Veiligheidsraad kan internationaal dwingend worden opgetreden. De VN fungeert echter ook als een transnationaal platform voor verdragen, die staten weliswaar moeten goedkeuren. Deze worden echter dikwijls bedisseld in een ver-van-mijn-bed-show in New York en uiteindelijk als een afgewerkte ‘cake’, die te nemen of te laten is, doorgeslikt door de nationale parlementen. Ik herinner me nog hoe ik als Vlaams Parlementslid op woensdagavond, nadat we voordien uren aan een stuk hadden gebekvecht over inheemse problemen, een pak verdragen ter goedkeuring voorgeschoteld kregen. Weinigen hadden ze gelezen en nog minder parlementsleden maakten enig bezwaar. Tenslotte produceert de VN en andere organisaties veel ‘soft law’. Allerlei teksten die de staten niet binden maar door activistische rechters gretig kunnen worden aangegrepen om een bestaande, wel bindende tekst te ‘interpreteren’.

Anders dan het internationalisme van voor WO II, zorgt de transnationale ontwikkeling voor een diepgaande disconnectie tussen de nationale beslissingsplatformen en de internationale besluitvorming. De ‘bubbles’ van New York en Brussel-Straatburg zijn aparte werelden waarin men met de besluitvorming vooruitholt zonder omzien of de peletons op nationaal vlak nog wel volgen. Er bestaan uiteraard kanalen waarbij de transnationale besluitvorming wordt doorgeseind naar het nationaaldemocratische niveau. Ambassadeur Bodson gaf daar een goed beeld van in het fameuze kamerdebat. Deze signalen genieten echter in de cockpits van de nationale besluitvorming maar van een lage prioriteit. Men heeft steeds andere katten te geselen. Tot uiteraard de dag komt dat men met het afgewerkte product van de transnationale besluitvorming wordt geconfronteerd en men constateert dat het haaks staat op het beleid dat men nationaal of internationaal wil voeren.

Door het feit dat Open VLD zich onverkort achter het beleid van de transnationale ‘bubbles’ zet –dat uit zich ook in het quasi-hysterische Euro-fanatisme van Guy Verhofstadt- openen zich voor de N-VA perspectieven om een interessante middenpositie in te nemen op de politieke markt. Het getier van Lepen, Orban en consoorten dat alles wel zal opgelost geraken als we alles terugbrengen naar het nationaal niveau, heeft uiteraard geen zin. Iedereen met gezond verstand ziet in dat voor de oplossing van het migratievraagstuk inderdaad internationale, maar niet noodzakelijk transnationale, actie nodig is. Voor migratie moeten in de eerste plaats de Europese ontvangstlanden met elkaar stevige akkoorden sluiten. Eens dat dit gebeurd is moeten er met de herkomstlanden akkoorden gesloten worden. Het VN-pact is een miskraam omdat er een knullig amalgaam wordt gemaakt van de belangen en inzichten van herkomst- en ontvangstlanden. Voor dit soort inter-nationalisme heeft men de VN niet nodig. De EU kan hier echter wel het beste platform zijn.

Als N-VA erin slaagt deze verstandige middenpositie goed te ‘casten’ op de politieke markt dan kan het de bijval winnen of behouden van de brede liberale middenklasse in Vlaanderen. De Open VLD schurkt dan maar best aan tegen de kosmo-elites van Groen. Een herschikking van het politieke krachtenveld, die zich trouwens in Mechelen en Gent reeds aftekent, zou veel klaarheid brengen op de Vlaamse politieke markt. Maar zoals Woody Allen ooit zei: ‘Voorspellingen maken is moeilijk, zeker wanneer ze over de toekomst gaan.’

[begin]