18 apr 2018

Artikel: Partijen verbieden? Bezint eer ge begint!

0 Reacties

Boudewijn BouckaertPartijen zoals ‘Islam’ verbieden? De geschiedenis van de jaren 30 waarschuwt ons om ons niet te vergalopperen.

(Dit artikel van Libera!-voorzitter Boudewijn Bouckaert verscheen oorspronkelijk op 18 april 2018 op Doorbraak.)

Moeten we de partij Islam verbieden? Met een paar nietsdoende gemeenteraadsleden in Brusselse en Waalse gemeenten, is de partij er in geslaagd een debat opnieuw tot leven te wekken, dat zich sinds de electorale neergang van het Vlaams Blok/Belang in comateuze toestand bevindt. Een van hun gemeenteraadsleden verklaarde in een interview dat zij van België een sharia-staat willen maken, uiteraard binnen de Grondwet (???), en dat, omwille van de bescherming van vrouwen, er best gescheiden ingangen in de bussen voorzien worden. De mannen vooraan, de vrouwen achteraan.

Dit soort uitspraken bevestigt wat sociologen, zoals Ruud Koopmans en islamkenners, zoals Montasser AlDe’emeh, reeds lang beweren. Binnen onze moslim-minderheid is er een aanzienlijke minderheid die vijandig staat tegenover de liberale democratie en de seculiere staat. Omdat de uitspraken nu niet uit de mond kwamen van een of andere geschifte imam of predikant, maar wel van een verkozen gemeenteraadslid, barstte meteen de vraag los of de Islampartij niet moet verboden worden en op welke rechtsgrond dit dan wel zou moeten gebeuren. N-VA roerde de luidste trom door te pleiten voor een verbod. Open Vld wil eerst een preambule in onze Grondwet die eventueel als rechtsgrond voor zo’n verbod zou kunnen dienen. CD&V staat sceptisch tegenover een verbod en waarschuwt voor perverse effecten.

Bezwaren

Tegen het verbieden van partijen in een democratie bestaat zowel een principieel als een praktisch bezwaar en men moet sterke redenen hebben om deze bezwaren te kunnen ‘overrulen’.

Door een politieke partij te verbieden raakt men het hart van een democratisch systeem. In essentie is een democratie een systeem van concurrerende elites waarbij de burger-kiezer de regerende politieke elite(s) kan naar huis sturen en vervangen door alternatieve politieke elite(s). Dat heet de democratische alternantie. Wanneer we toelaten dat sommige politieke elites andere politieke elites verbieden nog verder mee te dingen voor de politieke macht of om nieuwe politieke elites de toegang tot de politieke markt te ontzeggen, schaffen we de politieke democratie in feite af en vervangen we die door een oligarchie. Een schoolvoorbeeld is hier de Duitse ‘Democratische’ Republiek (DDR) zaliger, waarbij naast de SED (een fusie van socialisten en communisten) er nog een christendemocratische, een liberale en een ‘nationale’ partij toegelaten was, die allen samen op één lijst stonden, met evenveel kandidaten als er plaatsen waren. De DDR was formeel een meerpartijenstelsel maar geen democratie bij gebrek aan democratische alternantie. Wie dus partijen wil verbieden moet dus op zijn minst kunnen aantonen dat deze inkorting van democratie noodzakelijk is om het democratisch systeem ‘as such’ voor de ondergang te behoeden. De bewijslast is dus zwaar.

Er zijn uiteraard ook praktische bezwaren. Het verbieden van een partij duwt deze stroming ondergronds wat voor revolutionair geweld kan zorgen. Bovendien verleent men aan deze stroming een martelaarsaureool wat voor deze stroming een publicitaire bonus kan opleveren. In Knack pleit Han Renard ervoor de Islampartij gewoon dood te zwijgen. Dat ligt in de lijn van dit praktisch bezwaar.

Argumenten

Men moet dus met sterke argumenten aankomen om het verbod op een politieke partij te kunnen verrechtvaardigen. We overlopen even de meest geopperde redenen.

Een partij dweept met ideeën en programmapunten die strijdig zijn met mensenrechten en de grondwet. Islamistische partijen bijvoorbeeld pleiten voor de afschaffing van de godsdienstvrijheid of ‘dhimmitude’-regelingen, voor de ongelijkheid man-vrouw, voor het bestraffen van homoseksualiteit en andere anders-culturele innovaties. Dit feit kan een element vormen in een verbodspleidooi maar kan op zichzelf niet voldoende zijn. Vooreerst geldt er ook meningsvrijheid voor ongrondwettelijke meningen en bovendien mag men ernaar streven om de grondwet op een vreedzame wijze, volgens de daartoe vastgelegde procedures, te wijzigen. Vlaams-nationalistische partijen doen trouwens niets anders wanneer zij confederalisme of Vlaamse onafhankelijkheid eisen. Niemand die er hier aan denkt hen wegens ‘ongrondwettelijke’ eisen te verbieden. Dit soort ideeënrepressie laten we over aan de Spaanse neofranquisten van de Partito Popular en Ciudadanos. Partijen die zwaaien met anti-mensenrechtelijke standpunten, maar het voor het overige daarbij laten, bestrijd je best met ‘counterspeech’ en het wegnemen van sociale voedingsbodems.

Partijen kunnen openlijk pleiten voor het afschaffen van de democratie of het opwerpen van drempels die het democratisch spel ondermijnen (bijvoorbeeld groepen het stemrecht te ontnemen). Hiervan hebben we een bijzonder pijnlijk historisch voorbeeld. De speeches van kameraad Adolf Hitler waarin hij duidelijk aankondigt alle partijen af te schaffen wanneer hij aan de macht komt, zijn nog altijd in hun volle glorie beschikbaar. In een speech voor een traditioneel rood publiek van fabrieksarbeiders geeft hij toe dat hij de arbeiderspartijen heeft verboden maar voegt hij eraan toe dat ook de bourgeoispartijen werden opgedoekt, wat hem een overdonderend applaus oplevert. De communistische KPD moest trouwens niet onderdoen voor Hitler in antidemocratische duidelijkheid. Als zij aan de macht zou komen, wordt de dictatuur van het proletariaat ingesteld en zal de ‘burgerlijke democratie’ worden vervangen door een ‘arbeidersdemocratie’. Ook dat komt in de praktijk neer op het afschaffen van de democratische alternantie. Door de verkiezingsoverwinningen van de NSDAP kannibaliseerde de Weimar-democratie uiteindelijk zichzelf en maakte zij plaats voor de desastreuze nazidictatuur. Over dit moeilijke dilemma schreef Bastiaan Rijpkema een bijzonder helder boek, Weerbare Democratie: De grenzen van democratische tolerantie, waarin hij de helaas weinig beluisterde oratie van Van den Berg aanhaalt, die er in de jaren 30 al op wees dat democratieën hun eigen ondergang organiseren door antidemocratische partijen toe te laten hun sloopwerk te verrichten. De staatsgeleerde Carl Schmitt drong er begin jaren dertig bij Reichspresident Hindenburg op aan zowel de NSDAP als de KPD te verbieden omdat ze de ondergang van de Weimar-republiek nastreefden. In een kramp van gehechtheid aan de letter van de Grondwet weigerde Hindenburg dit, met de bekende catastrofale gevolgen.

Deze reden is uiteraard stukken ernstiger dan de eerste. Als men toelaat dat een partij openlijk nastreeft de democratische alternantie af te schaffen, opent men de mogelijkheid dat een toekomstige politieke meerderheid zich het recht toe-eigent te verhinderen dat de politieke minderheid ooit een meerderheid kan worden en de heersende politieke elite naar huis kan sturen. Men laat toe dat een speler het spel wijzigt om voor altijd kampioen te blijven. In principe kan dit dus een reden zijn om dergelijke partijen te verbieden. Ook hier moet echter een pragmatisch voorbehoud gemaakt worden. Zolang het gaat om een beperkt en bizar fenomeen in het politieke spectrum is het wellicht beter de partij dood te zwijgen of te bestrijden met counterspeech. Zodra zo’n partij ernstige proporties aanneemt wordt het rood alarm voor de democratie en moet een verbod mogelijk worden.

Het systematisch gebruik van geweld en het streven naar een overname van het geweldapparaat van de overheid is een derde ernstige reden voor een partijverbod. De NSDAP bijvoorbeeld was geen gewone partij. Zij deed een beroep op een waar leger van knokploegen (de Sturmabteilungen) grotendeels gerekruteerd uit veteranen van elitetroepen uit de Eerste Wereldoorlog, die dus vertrouwd waren met niets ontziend geweld. Op haar hoogtepunt had de SA 1,5 miljoen leden en was dus numeriek sterker dan de Reichswehr, die door het verdrag van Versailles op 100.000 manschappen was vastgepind, en de politie samen. De manier van optreden van de SA, zoals het verstoren van bijeenkomsten van tegenstanders, de intimidatie van kiezers, het brutaliseren van Joodse medeburgers, liet duidelijk uitschijnen dat deze partij een dictatuur nastreefde. Toen de NSDAP in de regering van deelstaat Pruisen kwam, liet Göring trouwens meteen massa’s SA-leden tot hulppolitie benoemen. Ook de KPD bediende zich rijkelijk van gewelddadige knokploegen maar kon minder rekruteren bij vroegere veteranen. Gelet op beide elementen, enerzijds de openlijke antidemocratische retoriek, anderzijds het systematische gebruik van straatgeweld, had Hindenburg inderdaad zowel de NSDAP en KPD moeten verbieden. Het zou op korte termijn tot zware conflicten hebben geleid maar op langere termijn veel onheil hebben voorkomen.

De laatste twee redenen vormen, zeker als ze gecombineerd voorkomen, een grondslag tot het verbieden van partijen. Een discussie om deze redenen eventueel in de Grondwet en verdere wetgeving te verankeren is dus legitiem. Een partijverbod moet alleszins voorbehouden worden aan de rechterlijke macht en dan liefst het hoogste orgaan: het Grondwettelijk Hof, met uiteraard beroep bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Voorlopig

De partij Islam, die wel ongrondwettelijke praat verkoopt, maar voorlopig nog niet oproept om de democratie af te schaffen en geen georganiseerd geweld gebruikt, komt nog niet in aanmerking voor zo een verbod. Waakzaamheid is weliswaar aangewezen, maar ondoordachte actie en contraproductieve overkill kan de zaak alleen maar verder verzieken.

[begin]