29 aug 2017

Discussietekst Libera!-denknamiddag

0 Reacties

Boudewijn BouckaertOp zondag 27 augustus hield Libera! een denknamiddag in Berchem.

(Discussietekst van Boudewijn Bouckaert, voorzitter van Libera!)

Na een lange periode van eerder marginaal bestaan (1914-1980) werd het klassiek-liberalisme opnieuw populair zowel in intellectuele kringen (libertarische, neoklassieke en neo-Oostenrijkse economie, public choice-theorie) als in beleidskringen (Thatcher, Reagan, pre-1999-Verhofstadt…..) In de periode 1980-2007 ging het klassiek-liberalisme het ideologisch-politiek gevecht aan met twee stromingen, die zich situeerden binnen de westerse intellectuele en politieke traditie. Enerzijds het marxistisch-communisme (Sovjet-blok en extreem links in het Westen), anderzijds de sociaaldemocratische welvaartstaat zowel in zijn etatistische als corporatistische variant. Het gevecht tegen de eerste tegenstander werd gewonnen. Het gevecht met de tweede tegenstander blijft voortduren (lage belastingen, flat taks, privatisering, mutualisering van sociale zekerheid, afschaffing subsidies, vouchers in onderwijs, enz.). De sociale welvaartsstaat is een taaie institutie, maar alvast weten klassiek-liberalen in dit gevecht waarvoor ze staan en is er een zekere consensus omtrent de hervormingsvoorstellen. De hier vermelde tegenstellingen hebben als kenmerk dat ze een intra-westers karakter hebben. Zowel het liberalisme, het marxisme, de sociaaldemocratie, het corporatisme zijn gegroeid uit westerse-intellectuele tradities. Ook geografisch gezien situeren deze tegenstellingen zich grotendeels binnen de westerse beschavingssfeer. Politieke discussies buiten het westen waren in vele gevallen resonanties van de discussies in het westen.

Het decennium, van verwarring

De evoluties van het laatste decennium hebben dit beeld van duidelijke intra-westerse politieke tegenstellingen grotendeels doorkruist. Zonder volledigheid te beogen wijs ik op een aantal pivotale gebeurtenissen, die voor klassiek-liberalen dilemma’s opleveren en waaromtrent een klassiek-liberaal standpunt niet zo evident is.

1. De bankencrisis

Deze crisis wordt in de publieke perceptie meestal onkritisch toegeschreven aan het ‘doorgeslagen neoliberalisme’, de Washington consensus, enz. De vraag is evenwel of de bankencrisis vanuit klassiek-liberaal oogpunt volledig te herleiden is tot een perceptieprobleem. Als dat zo is, rest ons alleen maar aan de bevolking uit te leggen waarom liberalisme en bankencrisis niets met elkaar te maken hebben. Gedeeltelijk is de link tussen bankencrisis en liberaal beleid pure perceptie. Het ontstaan van de enorme berg ‘rotte kredieten’ is niet te wijten aan vrije marktwerking maar enerzijds aan de politiek-morele druk op banken (via de Community Investment Act) om subprime-leningen toe te staan, maar nog veel meer door het openen van een secundaire markt voor hypothecaire leningen waarbij de banken hun leningen bij Freddy Mac en Fanny Mae konden dumpen. Op die wijze werd een gigantische moral hazard gecreëerd die geheel te wijten is aan non-liberaal overheidsbeleid. De verspreiding van de rotte kredieten in de mondiale bankenwereld is echter via marktmechanismen verlopen. Banken hebben die rotte kredieten verpakt in ‘derivables’ en de gehele spaarwereld rondgestuurd, totdat het vertrouwen brak door het ineenzakken van Lehman Brothers en de gehele interbancaire markt stokte. Kunnen we het verhandelen van financiële producten volledig overlaten aan de vrije markt (standpunt van bv. Eugene Fama) en vertrouwen op informatiegaring door de private sector, of is regulering hier onvermijdelijk? Bovendien is ook het ‘too big to fail’ een probleem. Grote banken laten failliet gaan leidt tot een ‘systemische ‘ crisis. Moet de grootte van banken dus niet gereguleerd worden om dat te vermijden? Moeten zakenbanken niet afgescheiden worden van gewone banken? Kortom, met de banken, toch belangrijke instituties in de werking van het kapitalisme, blijkt het klassiek liberalisme toch niet klaar te zijn.

2. Het klimaatprobleem

Er is een grote wetenschappelijke consensus dat de aarde opwarmt (bvb. de libertariër Koch heeft zelf een panel laten samenstellen en deze vraag gesteld en die kwamen tot hetzelfde antwoord), er is een wat kleinere consensus dat die opwarming ‘man made’ is, en de consensus is nog wat kleiner omtrent de vraag of preventief optreden (uitstootbeperking) werkt en of we ons niet moeten beperken tot reactieve maatregelen (bv. verhoging dijken). Als de drie consensussen kloppen, dan creëert dit uiteraard een gigantische justificatie voor een ongeziene verhoging van het overheidsinterventionisme via regulering (uitstoot, voedselregulering zoals verbod van koeien…., eco-foodprint-verhalen), subsidiering van alternatieve energie en nationalisaties. Bovendien leidt de klimaathype tot een ongeziene kartellisering van de politieke macht in de wereld. Politieke elites van vele landen klitten samen om een interventionistische strategie uit te werken. Stemmen met de voeten wordt zo onmogelijk gemaakt. Landen die er niet in zitten of eruit stappen (bv. VS) worden als paria’s behandeld. Hoe staan klassiek-liberalen hiertegenover? Moeten we ons tegen elke consensus in als ‘non-believers ‘ opstellen om toch maar deze interventionistische golf te vermijden, of moeten we dit dan maar aanvaarden, of zijn er nog andere alternatieven?

3. De Migratiecrisis

Klassiek-liberalen hebben zich steeds opgesteld als voorstanders van vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen. Hun model was Europa van voor 1914 waar zulk onbeperkt verkeer inderdaad bijna realiteit was. Dit GDKP-vrij verkeer situeerde zich echter grotendeels binnen een westers-Europese context, vooral dan wat de migratie van personen betrof. Bovendien ging het niet om massa-immigratie maar om beperkte en geleidelijke migratie. Door de migratie verdwenen in de zenderslanden de overschotten op de arbeidsmarkt en werden de lonen hoger wat de incentives tot migratie verminderde. Door de migratie werd het aanbod op de arbeidsmarkt in de ontvangstlanden groter waardoor de lonen daalden hetgeen opnieuw de incentives tot migratie verminderde. Bovendien bestonden er voor 1914 geen sociale welvaartstaten waardoor de migratie hoofdzakelijk ‘workfare’ en niet ‘welfare’ was. De huidige massa-emigratie wordt veroorzaakt door 1) een drastische daling van informatiekosten waardoor de armere bevolking in Afrika en Azië bijzonder goed geïnformeerd raakt omtrent de mogelijkheden in sociale welvaartstaten, 2) een stijging van de welvaart in de armere landen waardoor miljoenen mensen in staat blijken een kostelijke reis naar het Westen te ondernemen (via mensensmokkelaars uiteraard) 3) de politieke instabiliteit in Afrika en Azië 4) de aantrekkingskracht van welvaartstaten waarin men een arbeidsloos inkomen kan verwerven ingeval men geen werk vindt 5) de aanwezigheid van oikofobe POCO-elites in het Westen die migratie zien als een goed op zich zelf omdat het de diversiteit bevordert. In deze context is het moeilijk nog vast de houden aan het pre-WO I-stelsel van vrij migratie. Het massale karakter van de migratie, die de omvang van volksverhuizingen dreigt aan te nemen, legt een niet-financierbare last op de genereuze herverdelingskanalen van de sociale welvaartstaten. Aangezien een afbouw van deze herverdelingskanalen er voorlopig niet inzit (zie maar hoeveel moeite het kost Obamacare af te schaffen) staan we voor het dilemma: ofwel grenzen open en failliet van de welvaartstaat, ofwel grenzen (grotendeels) sluiten, ofwel grenzen open maar geen sociale uitkeringen voor migranten (If you cannot put borders around your welfare you have to put borders around your country). Het anderscultureel karakter van de massa-emigratie creëert bovendien het gevaar van een culturele clash. Wanneer niet-geïntegreerde andersculturelen politieke macht verwerven, bv. via genereuze vreemdelingenstemrecht-regelen, dreigen de basiswaarden van het liberalisme in gevaar te komen. De vroegere Minister van Justitie Piet-Hein Donner stelde het zeer extreem: wanneer er een pro-moslim-meerderheid is in Nederland kan er legaal een sharia-grondwet ingevoerd worden. Het klassiek-liberalisme staat hier voor een dilemma. Ofwel de GDKP-vrij verkeer loslaten en de vrije markt beperken tot GDK. Ofwel GDPK-vrij verkeer tot het failliet van de sociale welvaartstaat erop volgt (werd verdedigd door Murray Rothbard!)

4. Beschaving en identiteit

Het liberalisme is niet uit de lucht komen te vallen maar is een product van een lange beschavingsvoorgeschiedenis. Het liberalisme is ondenkbaar zonder de voorgeschiedenis van de Griekse filosofie, het romeins recht, de middeleeuwse steden, de christelijke scholastische filosofie, de Schotse en Franse verlichting. Het klassiek-liberalisme is de mooiste bloem op de potgrond van de westerse beschaving. Dit betekent dan ook dat klassiek-liberalen geen blinde vlek mogen laten ontstaan in de discussie over beschavingswaarden en dit terrein niet mogen overlaten aan conservatieven van allerlei slag. De lange beschavingsvoorgeschiedenis van het liberalisme en de liberaal-democratische instellingen moeten ons in de eerste plaats hoeden voor naïef ‘integratie-optimisme’. Mensen met zeer verschillende beschavingsroots zullen zich niet gemakkelijk integreren en het zal generaties vergen voor dit gebeurt. Men moet dus voorzichtig zijn met het binnenlaten van massa’s migranten met een andere beschavingsachtergrond. Dat is in het verleden niet gebeurt waardoor vooral onze steden te kampen hebben met culturele clashes. Wat de klassiek-liberale houding betreft tegenover weinig of niet-geïntegreerde migranten moeten er een aantal nuances gemaakt worden. In de eerste plaats moet gesteld worden dat de klassiek-liberale vrijheden (vrijheid van godsdienst, mening, eigendom, recht op eigen privacy en levensstijl, enz.) onverkort voor hen openstaan ook als deze vrijheden door hen ingevuld worden op een wijze die achterlijke gedragspatronen verraadt (bv. geen varkensvlees eten, geen alcohol drinken, hoofddoeken dragen…). Iedereen heeft recht op zijn eigen achterlijkheid placht JMDD te zeggen. In de tweede plaats moet gesteld worden dat de liberale rechtenstructuur onaantastbaar is en onverkort door ‘andersculturelen’ moet gerespecteerd worden, ook al strookt dat niet met hun religieus-culturele waarden. Dwanghuwelijken, groepsintimidatie wegens geloofsafval, weigeren van handdruk aan vrouwen, enz, kunnen niet door de beugel en moeten streng beteugeld worden. Over deze twee punten bestaat een relatief grote consensus. Zelfs UNIA zou hiermee akkoord gaan. Er zijn echter probleemgebieden die niet onder deze twee principes onder te brengen zijn. In de eerste plaats met betrekking tot de opvoeding van kinderen. Onze liberale vrijheden laten toe op een achterlijke wijze te leven maar moeten we ook toelaten dat kinderen geïndoctrineerd worden met deze achterlijke zienswijzen en levenspatronen. Indien niet, dan houdt dit in dat Islamitische madrassa-achtige scholen en Joods-orthodoxe scholen niet kunnen, dat kleuteronderwijs moet verplicht worden om opvoeding door de oude tantes van de volgmigratie te vermijden, dat hoofddoeken in het onderwijs mogen verboden worden. Een ander probleemgebied betreft de publieke beleving van onze beschavingstradities die tot uiting komt in de organisatie van onze jaarcyclus, de feestelijkheden en de invulling van de publieke ruimte. Deze beschavingstradities bouwen voort op de christelijke voorgeschiedenis en worden ook door westerse niet-gelovigen aanvaard als beschavingskontekst. Vele van deze tradities kunnen niet geïndividualiseerd worden omdat zij beantwoorden aan het ‘the more the merrier’-principe. Feestelijkheden zijn slechts leuk als iedereen er kan aan deelnemen (zie bvb. Sint-Niklaas op de Grote Markt van Antwerpen). De vraag stelt zich of deze publieke beschavingstradities, die vaak een christelijke tint hebben, moeten ‘aangepast’ worden (‘redelijke aanpassingen’ à la Loobuyck) om mogelijke ‘uneasy feelings’ van andersgelovigen te vermijden of moeten deze andersgelovigen zich hieraan maar aanpassen en hun specifieke beschavingstradities zuiver in de eigen private sfeer beleven.

5. Europa en nationalisme

Het 19° eeuwse klassiek-liberalisme was nationalistisch in die zin dat het van oordeel was dat elke natie (verstaan als een samenhangende cultuur-historische ‘Gesellschaft’) zijn eigen politieke structuren mocht hebben. De klassiek-liberalen vulden dit nationalisme echter aan met twee andere principes: 1) elke natiestaat moet de universele mensenrechten respecteren en heeft dus niet de soevereiniteit daaraan afbreuk te doen; 2) elke natiestaat moet zich openstellen voor vrijhandel met andere natiestaten. Dit leidde in het Europa van natiestaten tot een netwerk van bilaterale handelsverdragen die tot een vrijhandels-Europa leidden. De combinatie van nationalisme en socialisme leidde in het Interbellum tot protectionisme, handelsoorlogen, expansie van de welvaartstaat en uiteindelijk tot oorlog en verwoesting. De Europese constructie die na WO II werd opgezet had als eerste doel de Duitse industrie te dekartelliseren en in te bedden in een Europees systeem. Later groeide het idee een Europese vrije markt te creëren, niet meer op bilaterale bases maar op basis van een supranationale structuur. Tot de tachtiger jaren bleef deze supranationale structuur vrij liberaal (met uitzondering van de landbouwsector). Na de val van het communisme kreeg Europees links plots belangstelling voor het ‘Europees project’ en slaagde erin de Europese constructie om te vormen van een waakhond van de vrije markt tot een regulerende, subsidiërende en interventionistische superstaat. De Britten, die meenden bij een vrijhandelszone aan te sluiten, beseften later dat zij in een superstaat waren terechtgekomen en hebben daaruit wijselijk hun conclusies getrokken. De houding van klassiek-liberalen tegenover Europa kan niet anders dan genuanceerd zijn. Enerzijds is en blijft Europa een garantie voor een interne vrije markt. Vanuit die positie reguleert Europa de regulators en beperkt zij statelijke overheden in hun macht om te reguleren en te subsidiëren. Dat is de goede kant van Europa. Anderzijds heeft Europa (onder impuls van Jacques Delors) een harmoniseringsdoctrine ontwikkeld die erop neerkomt dat alle reguleringen en fiscale regels in alle lidstaten gelijk moeten zijn om een echte vrije markt te hebben. Dat leidt ertoe dat Europa zich ontwikkeld heeft tot een nanny-superstate die zich met alles moeit ( bv. verbod van Belgische frieten). Deze regulatieve superstructuur brengt mee dat stemmen met de voeten in Europa voor burgers en bedrijven onmogelijk wordt, hetgeen een antiliberale evolutie is. De meer problematische kant van Europa betreft echter de Euro. De Eurozone zorgt ervoor dat landen die in grote economische problemen zitten geen monetaire uitweg meer hebben uit de crisis waardoor deze crisissen moeten opgelost worden met transfers en haircuts (zie de juiste analyse hier van de linkse Griekse professor Varoufakis). Dit moet uiteindelijk leiden tot een transfer-unie waarbij een grootscheepse moral hazard zal ontstaan in Zuid-Europa, met een totale ineenstorting van de Europese economie tot gevolg. Klassiek-liberalen zitten hier gewrongen tussen sterke politieke krachten die elk op hun manier zeer antiliberaal zijn. Enerzijds uiteraard de ‘nationalistische socialisten’ à la Lepen die de Europese constructie willen opblazen om een intern-socialistisch-protectionistische beleid te kunnen voeren. Anderzijds de Eurocratisch-technocratische elite partijen (vooral ALDE en de sociaaldemocraten) die de Europese superstaat nog sterker willen uitbouwen. Voor klassiek-liberalen stelt zich bijgevolg een moeilijk dilemma. Houden we, om vrije marktredenen vast aan Europa met als risico dat het zich ontwikkelt tot een België in het groot, of streven we ernaar deze constructie op te blazen met als risico dat we in een gefragmenteerd Europa terecht komen van protectionistische natiestaten.

[begin]