30 jun 2014

Lezing: Laudatio Prijs voor de Vrijheid 2014

0 Reacties

Alexander De Croo“The ideas of economists and political philosophers, both when they are right and when they are wrong, are more powerful then commonly understood.” Zo stelde John Maynard Keynes in de jaren dertig. Hij zegt verder ook: “Ideas shape the course of history.” Inderdaad, “ideas rule the world”.

Precies daarom is het zo belangrijk dat voortdurend de ideeën worden verspreid. Liefst zo veel mogelijk juiste natuurlijk, maar in feite maakt het niet uit. Foute ideeën, zijn vaak de inspiratiebron gebleken voor goede ideeën.

(Lezing door Alexander De Croo)
Download hier de laudatio in PDF

En dat is precies wat laureaat Peter De Keyser doet. Al jaren verdedigt hij consequent de merites van de vrije markteconomie. Via zijn blog formuleert hij scherpe meningen over actuele onderwerpen. Geïnspireerd door de denkbeelden van onder andere Von Mises, Hayek, Rand en Friedman. En sinds eind vorig jaar doet hij dat ook via zijn boek Groei maakt gelukkig. Terecht verdient hij dit jaar dan ook de ‘Prijs voor de vrijheid’.

Alleen al de ondertitel van zijn boek maakt duidelijk waarom: Een optimist over vrije markt en vooruitgang.
Pleiten voor optimisme, voor vooruitgang en voor vrije markt vergt enige moed in het heersende maatschappelijk en intellectueel klimaat. In feite hoor ik sinds mijn jeugd enkel maar negatieve berichten: over onze industrie, over het klimaat, over veiligheid, over Europa, en ga zo maar door. Het eindigt vaak met de zinsnede dat de jongere generaties het nooit zo goed meer zullen hebben als hun ouders en grootouders.

Tegenover al dat negativisme plaats Peter De Keyser een optimistische filosofie die hij als volgt samenvat: “Geef de mens een uitdaging, geeft hem alle vrijheid om ze aan te gaan en hij zal ze overwinnen.” Daarmee is het sleutelwoord gevallen: vrijheid. Waar mensen vrij zijn, ontstaat vooruitgang. Waar mensen onderdrukt worden achteruitgang. En dat, onafhankelijk van tijd en plaats.

Die stelling wordt prachtig onderbouwd in het boek Why nations fail van MIT professor Daron Acemoglu en Harvard University professor James Robinson. Een boek, ook Peter De Keyzer niet onbekend. Wil je begrijpen waarom sommige landen rijk zijn en andere landen arm? Kijk dan niet naar de klimatologische omstandigheden, naar de geografie of de grondstoffenvoorraden, maar naar de instituties van landen.

De auteurs maken in hun boek het onderscheid tussen twee soorten institutionele omgevingen: aan de ene kant landen met ‘inclusieve’ politieke en economische instituties en aan de andere kant landen met ‘extractieve’ politieke en economische instituties. Omdat beide institutionele omgevingen andere prikkels uitsturen ten aanzien van het menselijk gedrag, leiden ze ook tot totaal andere maatschappelijke uitkomsten.

Kijk naar de grote welvaartsverschillen in de wereld. Die zijn maar ontstaan aan het einde van de 18de eeuw, in het kielzog van de industriële revolutie. Europa, en later het Westen, werd welvarend omdat er zich ‘inclusieve’ economische en politieke instituties ontwikkelden. Dat zijn instituties die het mensen mogelijk maakten overeenkomstig hun talenten vrijelijk deel te nemen aan economische activiteiten. Omdat de eigendomsrechten gaandeweg werden beter beschermd, omdat er een onpartijdig rechtssysteem ontstond en een minimale publieke infrastructuur die beschikte over het geweldsmonopolie. Dergelijke instituties, gebaseerd op respect voor individuele vrijheid en eigendom, stimuleerden investeringen en innovatie. En langs die weg steeg de productiviteit en uiteindelijk de welvaart.

In groot contrast daarmee staan, wat de auteurs de ‘extractieve’ instituties noemen. Die zijn gefundeerd op onderdrukking van de bevolking en uitbuiting van een hele samenleving door een kleine kaste. Zo een exploitatie kan dan wel een hele tijd duren, maar zal finaal een dood spoor blijken. Omdat in een dergelijke omgeving innovatie en vernieuwing uitblijven. De ondergang van de communistische Sovjet-Unie is daarvan een historisch bewijs. Net zoals de vele kleptocratische regimes vandaag in het Midden-Oosten en Afrika.

Acemoglu en Robinson tonen aan dat het uiteindelijk de politieke krachtsverhoudingen zijn die de aard van de instituties bepalen. Zo plaveide de Glorious Revolution van 1688 de weg naar inclusieve instituties in het 17de eeuwse Engeland. Daardoor werd de 1ste industriële revolutie mogelijk gemaakt. En die vormde de start van de grootste welvaartsstijging ooit in de geschiedenis van de mensheid.

Het blijft natuurlijk – voor sommigen – een open vraag of die welvaartstijging de volgende jaren en decennia in het Westen zal kunnen verder gaan en of ze, via de globalisering, verder zal uitzwermen over de hele wereld.
Het zal U niet verwonderen dat de laureaat van vanavond die vraag positief beantwoordt. “One science article a day, keeps pessimism away,” laat Peter in zijn boek weerklinken.

Ik deel zijn visie. Ook ik heb me nooit verzoend met de gedachte dat mijn generatie het minder goed zou moeten hebben dan de vorige. En de geschiedenis staat aan onze kant. Op de eerste industriële revolutie, voortgestuwd door de stoommachine, volgde eind 19de eeuw de tweede industriële revolutie met het elektrisch licht en de verbrandingsmotor en dan – in de 2de helft van de twintigste eeuw – de derde met de doorbraken in de informatietechnologie. De eerste twee revoluties verhoogden spectaculair de menselijke spierkracht, de derde de menselijke denkkracht.

Wie kan voorspellen hoeveel technologische revoluties er nog gaan volgen en waar ze hun voedingsbodem zullen vinden: in Europa? In Amerika? Of eerder in Azië? Niemand die het weet, maar dat er nog technologische doorbraken gaan volgen staat buiten kijf. En dat ze via productiviteitsverhogingen zullen leiden tot welvaartsverhogingen ook.

Hetzelfde geldt trouwens voor vrijhandel. Dat meer vrijhandel heeft geleidt tot een verhoging van de welvaart is het voorbije decennium ruim aangetoond. En dat er nog ruimte is voor meer vrijhandel, daar ik hopelijk weinigen van te overtuigen.

Weinigen omschreven de essentie van de markteconomie zo mooi als Friedrich von Hayek. De Oostenrijkse econoom, die exact veertig jaar geleden de Nobelprijs economie in ontvangst mocht nemen. Hayek omschrijft de vrije markt als een ‘discovery procedure’, een ontdekkingsproces waarbij de marktdeelnemers voortdurend door de mist van de onzekerheid dienen te gluren die het menselijk handelen kenmerkt. Gaandeweg, met vallen en opstaan, ontdekken ze welke de consumentenvoorkeuren zijn.

Prijzen fungeren daarbij als kompas. Vrije prijsvorming geeft signalen over wat de marktdeelnemers nu en in de toekomst willen. Is de inschatting van de ondernemers juist, dan volgt winst en kan de ondernemingsstrategie aangehouden worden. Is ze verkeerd, dan dreigt verlies en moet de onderneming het over een andere boeg gooien. Maar op voorhand kan niemand exact voorspellen welke de top- en welke de flopsectoren van de toekomst zullen zijn. Alleen de markt zal dat blootleggen.

Wat we sinds Joseph Schumpeter wél weten, is dat economieën en samenlevingen vooruit gaan via processen van creatieve destructie. Terecht worden dergelijke processen omarmd door de technologen en door het economenvolk. Ook door de laureaat. Maar voor ondernemers en opiniemakers is het misschien niet altijd even begrijpelijk voor welke problemen processen van creatieve destructie de beleidsmakers plaatst.

Idealiter moet het beleid het proces van creatieve destructie niet tegen houden, maar begeleiden. Door er voor te zorgen dat de samenleving veerkrachtig is. Zodat de verliezers uit de destructieve sectoren, waar banenvernietiging plaats vindt, zich kunnen aanpassen aan de veranderende omstandigheden. Zodat ze zich kunnen omscholen. Zodat ze de overgang kunnen maken naar de creatieve sectoren, waar het aantal banen groeit.

Maar vaak bezwijken beleidsverantwoordelijken voor de lokroep van de verliezers om hen af te schermen van de ‘destructieve’ kant van het economisch proces. Politici zwichten dan voor de druk om de marktkrachten uit te schakelen. Die lokroep vertaalt dan zich in instandhouding van monopolies, beschermende reguleringen en subsidiëringen allerhande.

Neem als voorbeeld de reactie van de beleidsmakers op de olieschokken, en daaruit voortvloeiende economische crisissen, van de jaren ’70. Men dacht de economische problemen te kunnen oplossen door talrijke economische sectoren kunstmatig overeind te houden door ze massaal te subsidiëren. Men dacht de werkloosheid tegen te gaan door de overheidstewerkstelling spectaculair te verhogen. Men dacht jobs te creëren door de mensen aan te zetten de arbeidsmarkt vervroegd te verlaten. Door gunstige uittredingsregimes te ontwikkelen zoals de brugpensionering. We betalen er vandaag nog altijd de prijs van, in de vorm van een hoge overheidsschuld en een lage werkgelegenheidsgraad.

Laat me op dat laatste even dieper in gaan: de lage werkgelegenheidsgraad in ons land. Die hypothekeert vandaag reeds het economisch groeipotentieel en dreigt dat door de vergrijzing in de volgende jaren en decennia nog meer doen. Want naast productiviteitsverhogingen aangedreven door technologische vooruitgang en innovatie is ook de toename van het arbeidsaanbod een belangrijke determinant van economische groei.

Het arbeidsaanbod en meer bepaald de werkgelegenheidsgraad in ons land is vooral problematisch in de leeftijdscategorie van 55 tot 64 jaar. De voorbije jaren is vooruitgang geboekt, maar nog ligt de werkgelegenheidsgraad bij oudere werknemers een pak lager dan gemiddeld in Europa. De oorzaak daarvan is niet genetisch, maar wél institutioneel: de voorbije decennia zijn arbeidsmarktinstituties gecreëerd die vervroegd uittreden stimuleerden. Denk maar aan de stelsels van brugpensioen, van vervroegd pensioen en aan het statuut van ‘vrijgestelde oudere werkloze’. In het licht van de vergrijzing zijn dergelijke gunstige uittredestelsels onhoudbaar. De uittredende federale regering voerde in 2012 al een eerste reeks belangrijke verstrengingen door inzake de toegangsvoorwaarden voor brugpensioen en vervroegd pensioen.

Maar dat proces moet worden verder gezet. En vooral, we zullen een maatschappelijk draagvlak moeten vinden om verder te gaan. Om die reden installeerde ik in april 2013, samen met collega Sabine Laruelle, de Commissie Pensioenhervorming 2020-2040. Vorige week publiceerde de Commissie van twaalf topexperten haar finaal rapport. Ruim een jaar bogen ze zich zonder enige politieke inmenging over hervormingsvoorstellen die zowel de sociale als de financiële houdbaarheid van ons pensioenstelsel moeten garanderen.

Inzake beleidsvoorbereiding is deze werkwijze een innovatie in ons land. Meestal is het zo dat politieke partijen zich ergens achter gesloten muren terugtrekken en dan – meestal bij het ochtendgloren – naar buiten komen met ingewikkelde en niet altijd even coherente compromissen. Vervolgens worden die dan kritisch onder de loep genomen door de experten en opiniemakers, door hen gewikt en gewogen, en uiteindelijk… te licht bevonden. De wereld op zijn kop!

Dat proces wilde ik samen met collega Sabine Laruelle omdraaien. Laat experten in alle onafhankelijkheid éérst een omvattend rapport opstellen, laat daarna een debat plaatsvinden en geef finaal het woord aan de politiek verantwoordelijken. Wel, het rapport werd verleden week opgeleverd en het debat is lopende. Hoewel het onmogelijk is om een meer dan 700-pagina’s tellend eindverslag in enkele woorden volledig recht te doen, wil ik zelf drie belangrijke conclusies met u delen:
1. De tijd van pensioennegationisme is voorbij
2. Geen pensioenhervorming zonder arbeidsmarkthervorming en omgekeerd
3. Een puntensysteem is een goede techniek om individuele verantwoordelijkheid, solidariteit en intergenerationeel evenwicht te garanderen.

Eén, is er geen enkele ruimte meer voor pensioennegationisme. De Commissie Pensioenhervorming 2020-2040 stelt duidelijk dat wanneer de volgende regering de hervormingen van ons pensioenstelsel niet verderzet de pensioenen financieel niet houdbaar zijn. Bovendien zal het afwijzen van hervormingen ook de sociale kwaliteit van onze pensioenen onder druk zetten. Voor heel wat mensen is dat een open deur, maar nog niet zo gek lang geleden was deze conclusie politiek allesbehalve vanzelfsprekend. Het verklaart waarom in ons land tot eind 2011 is gewacht om van start te gaan met een eerste reeks pensioenhervormingen.

Bij de onderhandelingen over de vorming van de uittredende federale regering maakte ik als toenmalig partijvoorzitter van Open Vld een breekpunt van het thema ‘langer werken’. Het is dankzij de druk van de financiële markten dat ik aan de onderhandelingstafel uiteindelijk toch een verstrenging van de toegangsvoorwaarden tot het brugpensioen en het vervroegd pensioen heb afgedwongen. Voor velen rond de toenmalige tafel zou daarmee de hervorming dan wel voor vele jaren beslecht zijn.

De Commissie Pensioenhervorming 2020-2040 stelt bijzonder duidelijk er geen enkele ruimte is voor zo’n immobilisme. De experten roepen uitdrukkelijk op om in de komende legislatuur diepgaande hervormingen te beslissen die geleidelijk worden ingevoerd. Als dat gebeurt, is er geen enkele reden tot alarmisme. Op voorwaarde dat doemdenken plaats ruimt voor doen.

Twee, de Commissie Pensioenhervorming 2020-2040 beklemtoont de samenhang tussen een hervorming van de arbeidsmarkt en een pensioenhervorming: pensioenbeleid en arbeidsmarktbeleid moeten elkaar niet alleen versterken, ze zijn ook nauw met elkaar verweven. Het succes van de pensioenhervorming bepaalt het succes van de arbeidsmarkthervorming, en vice versa. De conclusie ligt in de lijn van mijn eerder pleidooi om de bevoegdheden werk en pensioenen te bundelen bij één politiek verantwoordelijke.

Het is immers cruciaal dat het pensioenbeleid zorgt voor een hogere werkgelegenheidsgraad, door langer werken te belonen en de uitstapstelsels verder te hervormen. Maar daarnaast is ook een krachtig arbeidsmarktbeleid nodig met onder meer een versterkte activering, een meer leeftijdsbewust personeelsbeleid en meer werkbare jobs.

Drie, de invoering van een puntensysteem is een interessante manier om mensen tijdens hun loopbaan bewuster te maken van de band die bestaat tussen werk en pensioen. Daarbij verzamelt iedereen op een individuele rekening punten die bij pensionering worden omgezet in euro’s.

Een puntensysteem visualiseert de band tussen werk en pensioen. Hoeveel punten men verwerft, hangt af van de hoogte van het arbeidsinkomen én van de duur van de loopbaan. Wie langer wil werken, geniet een hoger pensioen. Wie vroeger uittreedt, een lager. Op die manier wordt individuele vrijheid gekoppeld aan individuele verantwoordelijkheid. Het puntensysteem maakt ook een sterk maatschappelijk contract mogelijk: een billijke verdeling van de welvaart en de welvaartsgroei tussen de generaties. Het garandeert dat onder druk van de vergrijzingskost de inkomens van de jongeren niet wegbelast worden en dat ouderen van een pensioen kunnen genieten dat in een goede verhouding staat tot hun vroegere arbeidsinkomen.

Maar ik hoor het U al denken: het is tijd om over te stappen van pensioencommissie naar pensioenactie. Terecht. En dat wordt een grote verantwoordelijkheid voor de volgende federale regering. Wanneer die er gaat zijn en wie er deel van zal uitmaken, weet ik niet. Maar dat ze een aantal pensioenknopen zal moeten doorhakken, daar ben ik van overtuigd. In de volgende legislatuur moet een groei-agenda centraal staan. En – u zal het mij als liberaal vergeven in deze tijden van informateurs en, wie weet, morgen ook van pre-formateurs of formateurs – die groei-agenda realiseer je het best wanneer je mensen in het hart van de besluitvorming brengt die in alle vrijheid, ongebonden, los van zuil en vakbond, de vrijheid verdedigen en gestalte geven. Vrijheid is immers de sleutel tot vooruitgang en groei.

Groei die we hoognodig hebben. Niet omdat het een doel op zich is, maar omdat het ‘dingen mogelijk maakt’. Omdat het een samenleving van ‘en-en’ creëert in plaats van een maatschappij van ‘of-of’, zoals de laureaat het stelt. In de economentaal van de laureaat vormt zo een groei-agenda een tweeluik. Een tweeluik, dat zowel inspeelt op de vraag als op het aanbod van arbeid:

Een drastische loonkostverlaging moet de vraag naar arbeid door ondernemingen in ons land een boost geeft. Die loonkostverlaging moet niet gefinancierd worden door een verschuiving van lasten, maar door een afbouw van de overheidsuitgaven met 5 procentpunt van het bbp. Daartoe dienen alle overheden in dit land een efficiëntiepact te sluiten: federaal, de gemeenschappen&gewesten én de lokale besturen.

Het aanbod van arbeid moeten we doen doet toenemen door een fiscale hervorming die werken meer lonend maakt dan niet werken, door een arbeidsmarkthervorming die activeert en door een pensioenhervorming die langer werken stimuleert.

Lukt ons land in het realiseren van die groei-agenda, dan ben ik, net als de laureaat, optimistisch over de toekomst. Maar dan zal de volgende jaren vrijheid wél de plaats moeten krijgen die het verdient: in het hart van de besluitvorming. Los van verknechting door vakbond, zuil of particulier belang. Dat is één van de lessen uit het werk van Peter De Keyzer. En dat is ook de reden waarom het hem méér dan toekomt om dit jaar de laureaat te zijn voor de Libera-prijs.

Ik dank U.

[begin]